Bram Van de Beek: leven bij de dag der kleine dingen

Geplaatst 15 sep. 2010 04:55 door De Stadslamp Amsterdam   [ 15 sep. 2010 05:04 bijgewerkt ]
10-9-2010. Interview met prof. Van de Beek, hoogleraar systematische theologie. Hij neemt komende vrijdag afscheid van de VU in Amsterdam.  Bron: RD, Ben Tramper.

Hij staat te boek als een scherpzinnig en spraakmakend theoloog, niet beducht om tegen de stroom in te gaan en de heersende opinie in kerk en samenleving onder kritiek te stellen. Hoe tegendraads vindt prof. dr. Bram van de Beek (63), scheidend hoogleraar symboliek aan de VU in Amsterdam, zichzelf? „Het ligt er maar net aan welke draad in het geding is.”

De hobby die hij als tiener oppakte, heeft prof. Van de Beek te midden van alle drukte die het theologisch bedrijf de afgelopen decennia met zich meebracht, altijd weten vast te houden: biologisch onderzoek naar de braam. Hij dankt er de bijnaam aan die hem niet meer lijkt los te laten: Bramen Bram.

Grappig?

„Nu ja, voor een keertje. Maar goed, het klopt dat ik nog steeds met bramen werk. Van tijd tot tijd publiceer ik erover in wetenschappelijke tijdschriften.”

Vanwaar uw fascinatie voor bramen?

„Een leraar op de middelbare school bracht mij liefde voor planten en vogels bij. Ik stuitte op het gegeven dat er over bramen weinig kennis is. Dat komt door de complexiteit van het plantgeslacht. Ik voelde mij daardoor uitgedaagd tot onderzoek.”

Leeft u dicht bij de natuur?

„Ik ga graag het veld in, het liefst op een plek waar geen hond komt. Al regent het pijpenstelen, dat maakt me niets uit. Ik vind er rust, ontspanning.”

Ziet u er iets in van de heerlijkheid van Gods scheppende hand?

„Nou, nee, zulke verbanden leg ik niet snel, ik weet hoe tricky dat is. Ik ervaar wel iets van grootsheid, maar ik ben er huiverig voor om die onmiddellijk te verbinden met het geloof in de Schepper. Ervaringen zijn bedrieglijk.”

Het Woord gaat voorop?

„Zo is het. Geloof is voor mij veeleer weten en vertrouwen dan gevoelen.”

Is dat ook wat u van uw vader, jarenlang ouderling van de hervormde gemeente in Lunteren, meekreeg?

„Ja. Eén zinnetje uit zijn mond blijft mij altijd bij. Hij sprak het uit na een kerkdienst: „Het ging vanmorgen veel over Jozef, maar weinig over Christus.” M’n vader had moeite met de mens die te veel kon. Maar hij moest ook niets hebben van de mens die zich al te zeer richtte op de subjectiviteit, de beleving. Je moest bekeerd zijn, daar wilde hij niet aan tornen. Maar met je bekeringservaring kon je het niet doen, in alles ging het bij hem om Christus Jezus.”

Heeft hij u gestimuleerd theologie te gaan studeren?

„Ik zou liever zeggen: gemotiveerd. Zelf had hij in intellectueel opzicht moeiteloos een studie kunnen volgen. Maar de diepe armoede waarin hij opgroeide, maakte dat onmogelijk. Al op jonge leeftijd moest hij turfsteken in Ederveen.”

U koos als theoloog andere wegen dan hervormd-gereformeerde predikanten in die tijd. Sprak u er met uw vader over?

„Jazeker. Hij vond mijn keuzes niet altijd even gemakkelijk. Niet omdat de Gereformeerde Bond voor hem heilig was, wel omdat hij bang was dat ik verschoof naar de middenorthodoxie en een spoor volgde waarin de mens te veel vermogens kreeg toegedicht.

Zelf ben ik nooit van mening geweest dat ik fundamentele wissels heb omgezet. Maar de vragen die speelden in de Gereformeerde Bond, waaronder die over de toe-eigening van het heil, waren niet de mijne. Mij hield de vraag naar het Godsbestaan bezig. Dus niet: Geef mij een teken van liefde. Maar: Geef mij een teken van leven.”

Hoe openhartig spreekt u over het geloof?

„Voor mij geldt het parool: Wees zuinig met woorden. Ik waardeer voorzichtigheid. Het gaat al gauw over ons enthousiasme. Mij zul je niet zo snel horen zeggen: ”Prijs de Heer”.”

En ”Hoort wat mij God deed ondervinden”?

„Ik ben er zuinig in.”

Hoe komt dat?

„Vanwege het risico dat wat ik heb ervaren, centraal staat.”

Is dat er ook niet bij het zwijgen? Zie mij eens stil zijn…

„Het gaat niet zozeer om wat ik beleef, maar om wat de kerk belijdt. Wat mij betreft hebben we genoeg aan de woorden van de Schrift en de traditie. Die zijn waardevoller dan al onze individuele expressies van onze individuele impressies.

Ik herinner mij een catechisatieles van ds. Van de Pol over de verkiezing. Een catechisant zei: „Als alles al vastligt, kunnen wij er niets meer aan doen. Wat moet je ermee?” Waarop ds. Van de Pol heel stil werd. Zijn handen, zo groot als kolenschoppen, begonnen te trillen. Met tranen in de ogen zei hij: „Als er geen verkiezing was, dan zou er voor mij, hard mens, geen mogelijkheid tot behoud meer zijn.” Dat maakte indruk. Van de Pol sprak zelden over zichzelf. Juist daarom.”

Wekt de vraag naar de goede verhouding met God bij u wel eens twijfel?

„Nee. Onlangs kreeg ik het boek van dr. Verboom en dr. Hoek in handen, over het verbond. Weet dat je een verbondskind bent, laat je niet meeslepen door subjectieve gevoelens. Die intentie deel ik volledig. Maar voor mij ligt het heil nog fundamenteler. Een verbond heeft iets tweezijdigs. Daarom leef ik uitsluitend bij het feit dat ik door de doop met Christus in Zijn dood ben begraven. Ik ben niet meer van mijzelf, maar van Hem. Mijn werkelijkheid is Zijn werkelijkheid.”

U hebt veel theologen intensief bestudeerd. Naar wie grijpt u het liefst om een pastoraal of dogmatisch advies?

„Gaat het om een thema in de christologie, dan kies ik Irenaeus of Athanasius. Voor de kerkleer val ik meestal terug op Cyprianus, voor de scheppingsleer op Irenaeus of Tertullianus.”

Vakgenoten omschrijven u als een diepzinnig theoloog die niet bang is om mensen tegen de haren in te strijken. Hoe tegendraads bent u?

„Het ligt er maar net aan welke draad in het geding is. Ik voel mij één met de orthodoxie van de Vroege Kerk. Kijk ik in de kerk van vandaag om mij heen, dan constateer ik met pijn in het hart een groot gebrek aan theologische diepgang. Vooral het streven om christendom en cultuur te verbinden doet mij zeer. Het leidt ertoe dat de kerk vele kolen en geiten spaart.

Als hoogleraar weet ik mij geroepen daarop te wijzen. De kerk heeft mij ervoor aangesteld. Een hoogleraar geneeskunde doet niet anders. Het hoort bij zijn taak kwakzalvers tot de orde te roepen.”

U maakt er geen vrienden mee. Wat doet dat met u?

„Reacties van anderen raken mij vooral als zij duidelijk maken dat wat ik zeg onjuist is. Daarom kan ik mij druk maken om een foutief jaartal. Op het moment dat je dat onbenullig vindt, vind je de rest ook onbenullig.

Ik ben geen Tertullianus, maar de manier waarop hij spreekt, boeit mij. Een zekere radicaliteit, dat mag ik wel. Ik besef dat ik de zaken graag bij de naam noem, maar ik probeer te voorkomen dat ik op de man speel of onnodig scherp ben. Soms is het nodig mensen wakker te schudden.”

U legt de vinger meer dan eens bij de situatie waarin de kerk zich bevindt, recent nog in uw pamflet ”Is God terug?”. Wat maakt de crisis tot crisis?

„De verschrikkelijke verdeeldheid. Mij raakt de pluraliteit, de vrijblijvendheid, het consumptisme. Er is voor elk wat wils. Zint het je niet, dan ga je ergens anders naartoe. De verbrokkeling is ongekend. Daardoor stelt de kerk niets meer voor.”

Is een reformatie moeilijker dan in het verleden?

„Kerk en samenleving versplinteren, dat maakt het uiterst complex. Daarbij komt de uitholling van het ambt. Ambtsdragers zijn managers geworden. Of, erger nog, entertainers. En dat terwijl zij geroepen zijn de kerk te bewaren bij de christelijke leer, bij het heil in Christus Jezus.”

Pamfletten als die van u werken nauwelijks iets uit. Wat u bevestigt, wordt door anderen ontkend en omgekeerd. Om moedeloos van te worden?

„De kerk verandert niet van de ene op de andere dag. Toch kunnen mensen erdoor aan het denken worden gezet. Dat gebeurt ook. Daarom: veracht de dag der kleine dingen niet.”

Is de verdeeldheid een hindernis voor een geestelijk reveil?

„Zeker. De laatste tijd houd ik me intensief bezig met de ecclesiologie, de leer over de kerk en haar ambten. Meer dan ooit krijg ik oog voor het feit dat de kerk geen kerk kan zijn als zij niet één is. Daarom gaat het mij aan het hart als ik zie hoe mensen van het ene opwekkingsgroepje naar het andere hollen zonder stil te staan bij de vraag wat het betekent dat er al 2000 jaar een kerk is.

Eenheid lijkt kansloos, maar dat wil niet zeggen dat we er maar niet over moeten blijven spreken. Integendeel. De waarheid duurt het langst. De Vroege Kerk kampte met de marcionieten. Die hadden nog eens een fijne, goede god! Wie geloofde er nu nog in een almachtige Schepper? Uiteindelijk is de hele beweging verdampt. Terwijl de belijdenis in God de Almachtige onaangetast bleef.”

U voert herhaaldelijk een pleidooi voor een prediking waarin zonde en schuld nadrukkelijker aan de kaak worden gesteld. Waarom is dat nodig?

„Omdat vergeving en verzoening bepaald niet zo vanzelfsprekend zijn als velen denken en doen voorkomen. Heinrich Heine sloeg de spijker op zijn kop toen hij over die houding zei: „God vergeeft de zonden, dat is Zijn beroep.” Alsof het niet meer dan normaal is dat Christus Jezus als God en mens Zich aan het kruis heeft laten slaan.”

Zegt u daarmee dat de wet moet worden gepreekt?

„Zeker. Niet in de zin van: hier heb je een aantal regeltjes, als je die zo goed mogelijk naleeft, zit het wel goed met je. Nee, het moet op een fundamentele wijze gebeuren. Zonde is vervreemding van God. „Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods.” Je bent als mens niet wie je moet zijn. Daarom heb je in jezelf geen grond onder je bestaan. Je kunt alleen overleven doordat je niet meer van jezelf bent, maar van Christus.

Onlangs sprak ik een moeder in Zuid-Afrika van wie een zoon was vermoord. Ze zei: „Ik ben gaan bidden voor de moordenaar, want hij is meer dood dan mijn zoon.” Haar eigen zoon was lichamelijk dood, de man die het misdrijf had begaan en niet van Christus wilde weten, geestelijk.”

U schrijft indringend over zonde en genade. Maar op de vraag hoe zondaren tot geloof komen, gaat u nauwelijks in. Hoe komt dat?

„De toe-eigening van het heil gebeurt in de gemeente. Onder het Woord.”

Wat als iemand zegt: „U preekt wel dat ik in Christus ben, maar ik durf dat niet te geloven”?

„Dan zeg ik: Wie is jouw ik? Is jouw ik je eigen ik? Dan zijn al zulke vragen relevant. Dat zijn ze niet als jouw ik niet meer van jezelf is, maar van Christus en Zijn lichaam, de kerk, en je met Hem begraven bent in Zijn dood. Houd het ervoor dat het zo is.”


Levensloop prof. A. van de Beek

Prof. dr. Abraham van de Beek (Lunteren, 1946) is theoloog en bioloog. Na een studie theologie in Utrecht werd hij achtereenvolgens predikant te Lexmond, Vriezenveen en Raamsdonksveer. Prof. Van de Beek is viermaal doctor. In 1974 promoveerde hij op een onderzoek naar de braam, in 1980 op een studie naar het mens-zijn van Christus. Later kreeg hij twee eredoctoraten van universiteiten in het buitenland. In 1982 werd prof. Van de Beek hoogleraar systematische theologie. Komende vrijdag neemt hij afscheid van de VU in Amsterdam. Prof. Van de Beek is gehuwd en vader van drie kinderen.
Comments