Kerstramp (een vertelling)

Geplaatst 3 dec. 2010 05:21 door De Stadslamp Amsterdam
Govert Buijs, 3-12-2010. Bron: nd.nl 

Het grote Vechterdam had een probleemwijk, de Laarsjes (ooit bedacht toen in betere tijden kinderen op het plein hun laarsjes zetten, devoot zingend 'gooi maar in mijn laarsje, dank u Sinterklaasje', maar nu was in deze wijk de gard hard nodig).

De gemeenteraad had besloten een christelijke jongerenorganisatie het wijkcentrum te laten runnen. Dit besluit baarde opzien: via overheidsgeld mag geen religieuze boodschap doorsijpelen. Dat ferme uitgangspunt hadden mensen ooit, zo dacht men, in een tijd van 'Verlichting' geformuleerd.

De critici hadden gelijk. Al na korte tijd voltrok zich wat later bekend zou worden als de Ultieme Ramp voor Verlichtingsaanhangers. Een bezoeker van het centrum begon namelijk vragen te stellen - en van bepaalde vragen houden Verlichtingsaanhangers niet. Het was op zich geen onaardige knul, maar hij deed wel eens wat aan kleine criminaliteit, had wel eens een tasje geroofd van een oud dametje en rookte zo af en toe een jointje, voor de buitenwereld een overlast gevend ettertje dus.

Maar op die dag vroeg hij zomaar - hij had dat ergens opgevangen - 'jullie zijn christenen hè?' De dienstdoende jongerenwerker trok wit weg. 'Verrek, daar gaat onze subsidie', dacht hij en hij ontweek de vraag. 'Hoe zo?'

'Hoe zo? Hoe zo? Is het zo of niet?'vroeg de jongen.

'Ssst!' zei de jongerenwerker, 'ik mag er hier niet over praten. Mag niet van mevrouw Pechtold en van meneer Halsema (dat waren toen leidende politici).'

'Ga dan mee naar buiten', zei de jongen, 'ken ik meteen effe een jointje roken'.

'Na werktijd pas', zei de werker. De jongen bedwong met moeite een vloek. Maar er zat niets anders op. Na werktijd gingen ze midden in de winternacht naar een belendend bushokje. De jongen vroeg opnieuw: 'Jullie zijn christen hé?', terwijl hij zijn langverbeide jointje aanstak. Ja. 'En dat betekent dat je gelooft in zoiets als een nieuw leven, hè?' Ja, zei de jongerenwerker, terwijl het koude zweet hem uitbrak.

'Maar, kan dit ook voor mij, man?' vroeg de jongen. 'Daar mag ik niks over zeggen', probeerde de jongerenwerker de ramp nog af te wenden. 'Man, doe normaal, kan dit ook voor mij? Dat weet jij toch? Kom op, màn, 't is bijna Kerst màn, jij kunt toch wel íets zeggen, màn?'

En toen, toen brak de jongerenwerker, hij 'sloeg door' (zoals dat in politietermen heet). 'Ja, dat kan ook voor jou.' En hij begon de jongen iets uit te leggen, een flintertje maar, van het Evangelie. Maar het was al niet meer te stoppen. Daar in dat bushokje knielde de jongen neer. 'Een nieuw leven, daar ga ik voor, weg uit deze shit hier'. 'En dat tasje, ik wil dat teruggeven aan die vrouw, en ik neem een baantje, zodat ik het haar vier keer kan vergoeden.'

In de Bijbel staat dat er in de hemel vreugde is over één zondaar die zich bekeert. Bekering is een hele klus - liberalen, seculieren en andere welopgevoeden onderschatten dat wel eens. Als je, zoals die jongen, echt in de shit zit, is enige hulp van Boven niet te versmaden. Een leven heb je niet zomaar op een andere koers. Als het dan toch gebeurt, dan heb je de poppen aan het dansen, dan jubelen de zeeën, rivieren klappen in de handen, bergen huppelen, zon en de maan geven elkaar een 'high five', sterren knipogen elkaar twinkelend toe, de kosmos lacht, het uitdijend heelal vibreert zelfs even....

Maar in Den Haag? In Den Haag werden Kamervragen gesteld. 'Is het de minister bekend... bekering, subsidie?' Het was uitgelekt, onverwijld keerde de Kamer terug van het kerstreces: ramp in De Laarsjes.

De minister van Binnenlandse Zaken toentertijd heette niet Agnes Kant, maar was wel een ver familielid, Immanuël geheten (passende naam ook voor een kerstvertelling), een rechtstreekse nazaat van de gelijknamige grote Verlichtingsfilosoof. Deze oude Kant had, zo gaat het verhaal, een huisknecht, Lampe geheten. Hij wekte 's ochtends de filosoof, zette thee, bracht hem zijn pantoffeltjes en kookte 's avonds zijn eten. Mijn Lampe, zo schijnt Kant ooit gezegd te hebben, mijn Lampe moet toch een god hebben, dus laten we hem een god geven. En zijn kleinzoon nam dit argument graag over in het debat: doe niet zo moeilijk over religie. Als mensen er nu gelukkig van worden, en bovendien nog bravere burgers ook, wat dan zeuren? Probeer maar eens een mens zonder God te bekeren, ik geef het u te doen, meneer Halsema en mevrouw Pechtold.

De minister van Veiligheid in die tijd heette Yvo Voltaire, nazaat van de Franse Verlichtingspublicist met dezelfde naam. Deze oude Voltaire was uitgesproken anticlericaal geweest. Elke brief ondertekende hij zelfs met de kreet - vrij vertaald - 'maak gehakt van dat eerloze instituut'. Maar voor religie had hij in een bepaald opzicht toch wel waardering. Tijdens een tafeldebat over het bestaan van God, maande hij de deelnemers tot stilte toen bedienden binnenkwamen. 'Die bedienden geloven in God en dat is maar goed ook, anders gaan ze er misschien met het tafelzilver vandoor.' Geheel in lijn met zijn voorvader baste Yvo: 'Mevrouw Pechtold en meneer Halsema, moet ik mijn kerstreces onderbreken voor een jongen die besluit geen tasjes van oude vrouwtjes te pikken? Is dit nu zo'n ramp? Wie is hier nu 'Verlicht'?'

Toch goed dat er ministers zijn.

Dr. Govert Buijs is universitair docent sociale en politieke filosofie aan de Faculteit Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij schrijft maandelijks een column.
Comments