Preek van de week

Hoe wordt er in andere kerken dan die van jou gepreekt? Hier vind je recente preken uit wisselende Amsterdamse kerken.

TIP ! :  Op de website Komt een leek in de kerk brengt een jonge niet-religieuze Amsterdammer een jaar lang verslag uit van zijn bezoek aan steeds een andere kerk in de stad. Heel boeiend om te lezen hoe een 'leek' dat beleeft waar 'wij christenen' zo aan gewend zijn dat het vreemde ons niet meer opvalt. Vooral leuk wanneer jouw eigen kerk onder dit leken-licht komt. En leerzaam...!

Kerstnachtpreek: Van harte herbergzaam zijn

Geplaatst 29 dec. 2015 03:46 door De Stadslamp Amsterdam   [ 29 dec. 2015 03:47 bijgewerkt ]

VERKONDIGING in de Kerstnacht van 2015 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam
door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (9, 1-6), de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus (2, 11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 1-14).

Je moet "gaarne herbergende" zijn.
De leider van een christelijke gemeenschap moet "gaarne herbergende " zijn.
- Zo staat geschreven, dierbare gasten en parochianen, in de eerste brief van de apostel Paulus aan Timoteüs. "Gaarne herbergende" - Zó, met die woorden, staat het in de Státenvertaling van de bijbel. Dat is de vertaling die werd gemaakt "op last van de Hoog-mogende Heren STATEN-GENERAAL DER VERENIGDE NEDERLANDEN en volgens het besluit van de Synode Nationaal gehouden te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619". Fier staat dat zó op de titelpagina van de Statenvertaling. "Gaarne herbergende". Die woorden werden geciteerd, met grote passie en klem, nu ruim twintig jaar terug, in verband met mijn priesterwijding, door de onvergetelijke pater Jan van Kilsdonk S.J. Hij gaf mij die woorden echt méé, om niet te zeggen: hij wreef, hij péperde ze mij in. En ik moet zeggen: het is hem goed gelukt. Die woorden, "gaarne herbergende", gaan nu al twintig jaar als een mantra met mij mij: "Gaarne herbergende", je moet "gaarne herbergende" zijn: gastvrij zijn, graag logé's willen ontvangen, graag mensen willen huisvesten en onderdak verschaffen.

Ja... maar in de kerstnacht horen wij altijd weer: Er was voor hen, voor de hoogzwangere Maria en haar vriend Jozef; er was voor hen géén plaats in de herberg.
Wat was het probleem? Kón men hen niet herbergen? Of wílde men hen niet herbergen?

Ik kom uit een familie waarin het zogenaamde 'kermisbed' een bekend begrip was. Dat was, of is: een geïmproviseerd bed. Verschillende van zulke geïmproviseerde slaapplaatsen naast elkaar, dat wordt 'op de lange regel' genoemd. Ook ben ik opgevoed met gezegdes als: "Waar een wil is, is een weg." En: "Er kunnen veel makke schapen in een hok." "Niet mekkeren!" zei mijn West-Friese vader wel eens tegen ons: Het was niet de bedoeling dat wij als kinderen zeurden, klaagden, laat staan zouden 'peeuwen' oftewel dreinzen - zéker niet als er veel volk en het druk was.

De vraag, veelgeliefden, blijft hóóg actueel: Is er plek of is er geen plek? - in de herberg, in het huis, in het land, in de kerk, in het hart, in het hoofd... Mag iemand, mogen ménsen komen of mogen zij niet komen? Is men welkom of is men niet welkom? Mag je er zijn of mag je er niet zijn? Mag je meedoen of mag je niet meedoen?

Kerstmis is een familiefeest zegt men. Maar... wíe hoort er bij de familie? Wie mág er bij horen? Ik ken een vrouw die viert Kerst met de familie. Dit jaar vroeg zij: Mag ik een vriendin meenemen? Na enig onderling beraad kreeg zij als antwoord: "Wij vinden het wel vervelend om te melden, maar we willen deze dag graag alleen met de familie vieren. Ik hoop dat je onze keuze respecteert."
Tja... Wat moet je dan? Wat moet een mens met zo'n antwoord? Moet die vrouw kiezen voor haar familie? Of kiest ze voor haar vriendin?

Kerstmis betekent: God wordt geboren, in Jezus, midden onder ons. "Hij is onder ons zijn tent", zijn tabernakel, "komen opslaan" klinkt het bij de evangelist Johannes.[1] Maar... kunnen wij dat wel aan? Kunnen wij Hem, Jezus, wel hebben? Kunnen en wíllen wij Hem wel herbergen? "Toen ik een vreemdeling was, namen jullie mij in huis" zal het Kerstkind, eenmaal volwassen en vlak voor zijn gewelddadige dood zeggen. Maar... "Wanneer was u een vreemdeling en namen wij u in huis?" vragen Hem dan de goede mensen.[2] En Hij zegt dan: "Alles wat je voor één van deze geringste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan."[3] Dat zegt Jezus. Zoals Hij ook zegt: "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij en de goede boodschap, zal het redden."[4]

Iemand die deze woorden serieus genomen heeft in zijn leven is mijn ambtsbroeder Frans Horsthuis, priester van het aartsbisdom Utrecht, nu 94 jaar oud. Iemand gaf mij laatst zijn autobiografisch geschrift De koninklijke weg[5] dat op mij werkelijk een verpletterende indruk gemaakt heeft. Zoiets had ik nog nooit gelezen. En die Frans Horsthuis is wat mij betreft een groot geestelijk leidsman.

"Durf jij het te wagen zonder salaris?" vroeg Jezus op enig moment heel rechtstreeks aan Frans in zijn gebed. "Ík heb vroeger ook geen salaris gehad." En Frans deelde het bestuur van zijn parochie, die van Neede, in de Achterhoek, mee: "U hoeft mij voortaan geen salaris meer te geven." In 1968 was hij in Jeruzalem en Jezus zei tegen Frans, op de Olijfberg: "Mijn Kerk, waarvoor ik mijn bloed en leven gegeven heb: jullie hebben er ook weer een organisatie van gemaakt, die beheerst wordt door geld en macht." En: "Dat wil ik niet langer van jou. Waar jij als priester voorgaat, daar wil ik niet dat er nog geld aan te pas komt." En: "De eerste zondag als je weer thuis bent, onmiddelijk ermee beginnen."

Al spoedig leidde deze nieuwe koers van Frans tot problemen en heeft hij zijn pastoorsfunctie vrijwillig teruggegeven aan zijn bisschop - die Frans natuurlijk moeilijk kon ontsláán omdat Hij Jezus wilde navolgen en echt volgens het Evangelie wilde gaan leven.

Maar daar stond Frans: op straat, zonder functie, zonder inkomen, zonder onderdak. Het is hem echter gelúkt om zijn hele verdere leven zonder geld en ander bezit door de wereld te gaan. Hij noemt zichzelf "een wandelend bewijs, hoe God zijn beloften vervult."

Toen hij eens een heel moeilijke periode doormaakte mocht Frans ervaren hoe Jezus als volgt in hem sprak: ... "Schenk gewoon geen aandacht aan je gevoelens van honger en kou... Vul je hart met mij... Blijf in Mij..." En Frans schrijft dan: "Opeens zie ik het: "Heer, wat was ik aleen met mezelf bezig. Komt U bij me. Van harte welkom! Maar wat kan ik U bieden? Neemt U genoegen met mijn armzaligheid en leegte? (...) Ik wil U wat warmte geven. Maar het is binnen in me wel een beestenstal, zoals in Bethlehem. Máár U bent er welkom. In Bethlehem bent U immers ook niet geboren in een herberg, maar in een stal. Daar vond U de warmte van Maria, Jozef en de herders. Komt U zó in me, al moet het er dan wel wat beter worden ingericht." "Op dat ogenblik was het", schrijft Frans, "alsof dat hele koor van hemelingen (...) kwam en antwoordde: "Ja, wij komen." Toen was het alsof binnen in me die vunzige beestenstal uitgroeide tot een lichtende ruimte. (...) En Jezus sprak: "Nu heb ik een diepere intrek in jou genomen." En: "Zo een grot wordt steeds ruimer, naarmate hij verder wordt uitgehakt."

En Frans vervolgt: "Indertíjd was het veel meer de omvorming en vernieuwing van mezelf waar het om draaide. Deze keer kwam echter Jezus-in-mij in het middelpunt van mijn aandacht. Híj lijdt kou. Híj is eenzaam. Híj wil groeien in me. Zo iets is een hele ommekeer in je leven, een halve slag om: van wedergeboorte en vernieuwing van eígen leven naar 'niet ik leef, maar Christus leeft in mij'. Heel je belangstellingssfeer gaat zich dan verleggen. Bij alles wat je beleeft gaat het dan lijken, alsof je zelf slechts de huid bent waarin Jezus huist. Er komt iets op gang, wat ik zou willen noemen: een vergroeien met elkaar. Dat is een grote genade, die dan je hele wezen gaat doortrekken."

"God is overal, alomtegenwoordig, maar Hij wóónt níet overal."

"Als ik Jezus vraag", zoals nog altijd Frans Horsthuis; "als ik Jezus vraag, bij míj te komen wonen, dan kan er op een goede dag een verhuiswagen voor mijn deur verschijnen en Jezus stapt daaruit.
"Welkom Heer, maar... die verhuiswagen?"
"Ja, ik mocht immers bij jou komen wonen? Ik heb mijn meubeltjes meegebracht, want Ik heb een wat andere smaak dan jij."
"Waar laten we dat, Heer?"
"Tja, dan moeten de jouwe er wel uit", zal Hij dan misschien zeggen. "Zet ze maar in die verhuiswagen... als jij wilt." Want de Heer is heel vriendelijk en inschikkelijk en bescheiden. "Voorlopig neem ik wel genoegen met een hoekje op de zolder. Als het jou bevalt, kunnen we dan verder gaan", want: "een feest wordt het pas, als het héle huis van Jezus is, zodat Hij er echt woont met Zijn vader en de heilige Geest, en als ík dan mag in-wonen."

Frans Horsthuis, een gelovige en een priester die er helemaal voor is gegaan - voor Jezus, voor God. Voor Hem is hij totaal arm geworden en het heeft hem rijk gemaakt. Hij schrijft: "Het zal veel mensen wel onwerkelijk in de oren klinken, en toch is het zo: Geld is nooit een aanwijzing van Gods wil. Eerder van het tegendeel. Met geld draai je jezelf gemakkelijk een rad voor de ogen. (...) Daarom heb ik het verstaan van Gods leiding nooit laten afhangen van geld. Maar als je eerst zijn wil zoekt, zal Hij daarna ook wel voor de geldmiddelen zorgen." Want: "Hebben we niet een Vader die multimiljonair is?"
Zo beleeft Frans het en met behulp van dát gelovige inzicht heeft hij zijn leven vormgegeven. En hoe doen wij dat? Hoe doet u het? Hoe doe jij het? Hoe doe ik het? Hoeveel ruimte gunnen wíj God in ons leven? In welke mate durven wíj in Hem te geloven? En wat is ónze inzet? Ik denk: in de mate waarin je durft en geeft zul je ook terugontvangen.

Een collega van mij, dominee Paul Visser van de Noorderkerk, schreef afgelopen maandag in NRC-Handelsblad: "Alleen die Ene die ooit geboren werd als een kind en als slachtoffer van onrecht en geweld eindigde aan een kruis. Maar die inmiddels voor ontelbaren - in de regel weldenkende mensen - al twintig eeuwen lang een bron werd van liefde, verzoening en vrede. Een door de hemel gegeven oriëntatiepunt in de nachtmerrie van deze wereld. Geloof het of niet: als Eén ons redden kan dan Hij. Ik zou het met Kerst op een van die plekken waar over dit Kind wordt verhaald, nog maar eens checken..."[6]

U hebt dat gedaan door vandaag hier naar toe gekomen... U doet dat!

Een 85-jarige mevrouw "met rollator" uit Amsterdam-West, mevrouw A. Willemsen, schreef mij: "Ik heb het gevoel, dat het besef in de lucht begint te hangen, dat we het toch echt niet allemaal a l l e e n af kunnen en het Kerstkind nodig hebben...."

Misschien heeft zij gelijk, groeit inderdaad dat bewustzijn en begint het tijd te keren. Laten we het hopen. En laten wij vooral mensen zijn die "gaarne herbergende" zijn - mensen die in hart, hoofd, kerk, huis en land het Kerstkind herbergen, dat wil zeggen: allerlei vreemdelingen herbergen dan ook in wie Hijzélf tot ons komt. Mogen wij herbérgende en ook: herbergzáme mensen zijn, want wie weet: gaan wij het ook ooit nog eens op de één of andere manier nodig hebben om opgevangen te worden. Zal men ons dan kunnen herbergen? Mogen wij mensen zijn die Hém, Jezus, het Kerstkind dat gekruisigd zal worden; mogen wij mensen zijn in wie Hij wélbehagen heeft: mensen die Hij graag ziet. Ik wens u in die zin, in Jezus' Geest, een Zalig Kerstmis. Amen.

[1] Joh. 1, 14.
[2] Mtt 25, 31-40. Vertaling: Bijbel in gewone taal.
[3] Mtt. 25, 40. De Bijbel in gewone taal vertaalt hier: "Elke keer dat jullie iets goeds doen voor één van de gelovigen die hier naast mij staan, doe je iets goeds voor mij." Zou Jezus dan toch bedoeld hebben: ondersteuning van alleen 'goede mensen', c.q. van geloofsgenoten? Ter vergelijking, De Nieuwe Bijbelvertaling (2005) geeft: "Alles wat jullie gedaan hebben voor onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan." En de Naardense bijbel (herziene editie 2014): "Zoveel ge gedaan hebt aan één van dezen, mijn geringste broeders-en-zusters, hebt ge voor mij gedaan."
[4] Mc. 8, 35. Zie ook: Mtt. 16, 25; Lc. 9, 24; 17, 33 en Joh. 12, 25.
[5] Het boek is in eigen beheer uitgegeven. Ik beschik over de 4e herziene druk - in digitale vorm. Alle citaten zijn hieruit genomen. Omdat pagina-nummers in het boek helaas ontbreken, kunnen deze uiteraard ook niet vermeld worden bij de afzonderlijke citaten. In digitale vorm wordt het boek gratis ter beschikking gesteld. Wilt u het ontvangen, zendt u dan een e-mail aan mij, pastor Pierre Valkering: p.valkering@planet.nl
[6] Paul Visser, 'Wie kan ons redden als God passé is'. In NRC-Handelsblad, maandag 21 december 2015.

Kerkgebouwen of geloof

Geplaatst 23 dec. 2015 11:09 door De Stadslamp Amsterdam

VERKONDIGING op 6 december 2015, de tweede zondag van de Advent, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam
door pastor Pierre Valkering
Gelezen: uit het boek van de profeet Baruch (5, 1-9), Psalm 126, de brief van de heilige apostel paulus aan de christenen van Filippi (1, 3-11) en uit het heilige evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas ((3, 1-6).

"In het krimpproces dat de Kerk doormaakt, moeten we ons niet aan gebouwen
vastklampen, daarin ligt niet onze redding. Zo'n stenen reddingsboei trekt ons juist de
diepte in. Ons geloof is niet gekoppeld aan een gebouw, maar aan God."

Dat zei, anderhalve week terug hier in Amsterdam in een toespraak,1 kardinaal Wim
Eijk die de hoogstgeplaatste vertegenwoordiger van onze Roomse kerk in Nederland
is. Kerkgebóuwen, dáár moeten we niet onze redding van verwachten. Die
kerkgebóuwen, die kunnen juist molenstenen om onze nek zijn die ons de diepte in
trekken. Nee, onze redding moet komen en moeten wij verwachten van God. Aldus
de kardinaal.

Maar ja, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: Wie, wat is God? De
kardinaal heeft het in dit verband over "een 'onzichtbare hand'. (...) Wij geloven dat
ieders naam in Zijn handpalm is geschreven. We ervaren dat die hand ons steunt als
we het moeilijk hebben, we voelen hem op onze schouder in eenzame tijden. En we
geven Hem soms een high five." Dat is: juichend je hand zo hoog mogelijk boven je
hoofd naar boven uitstrekken en daar die van iemand anders pakken. In Amerika
doen ze dat veel. Ook die onzichtbare hand van God kun je als het ware op die
manier vastpakken suggereert de kardinaal. Ziet u het voor zich? Ziet u het hem
doen? God een high five geven uit vreugde of dankbaarheid. De kardinaal zegt:
"Meer mensen zouden dat moeten doen."

De apostel Paulus, die we vandaag tegenkwamen in onze tweede lezing uit diens
brief aan de christenen van Filippi, een stad in Macedonië, waar tegenwoordig zoveel
vluchtelingen doorheentrekken op weg naar West-Europa, onze kant op; Paulus
hoeft daartoe niet aangemoedigd te worden: om God zo'n high five te geven uit
vreugde of dankbaarheid. Want Paulus ís het al: dankbaar en vreugdevol, ook al zit
hij in de gevangenis. Van daar uit schrijft Paulus zijn brief: vanuit de gevangenis.
Maar zelfs dát gebouw is voor Paulus geen molensteen waardoor hij, Paulus, de
diepte in zou worden getrokken. Nee, absoluut niet... Paulus' hart is duidelijk vol van
liefde, warmte en vreugde als hij, in de gevangenis dus, zijn brief schrijft: "Ik dank
mijn God telkens als ik aan u denk, altijd, bij al mijn gebeden voor u allen. Met
blijdschap zeg ik mijn gebed." En: "(...) ik draag u in mijn hart". "God kan voor mij
getuigen hoe vurig ik naar u allen verlang, met de innigheid van Christus Jezus."

Heerlijk is dat, om zó met mensen, met geloofsgenoten verbonden te zijn. Hoe zou
dat voor de kardinaal zijn? Wie draagt híj in zijn hart? Voelt hij óók die blijdschap bij
het bidden voor mensen? Voor wie bidt hij? En kan hij óók zo verlangen om
bepaalde mensen te zien en met hen samen te zijn? Hoe is dat voor de kardinaal?
En hoe is dat voor u? En hoe is dat voor mij? Union de prières zeggen Franstalige
gelovigen tegen elkaar als ze afscheid van elkaar nemen, fysiek of in het gebed.
Union de prières: Eenheid van gebed. De onzichtbare draden van het gebed
verbinden ons met elkaar. "En dit is mijn bede", schrijft Paulus aan de christenen van
Filippi: "dat uw liefde steeds rijker wordt aan ware kennis en fijngevoeligheid in alles,
om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u zuiver en onberispelijk
zijn op de dag van Christus, vol van de vrucht van de gerechtigheid, die komt van
Jezus Christus, tot lof en eer van God."

"De dag van Christus". Die komt er aan voor ons. Kerstmis! Daar leven wij in deze
tijd van het jaar, in de adventstijd, naar toe. Kerstmis komt er aan. En dan komt het er
voor ons ook op áán. Paulus schrijft dat onze "liefde steeds rijker" moet worden "aan
ware kennis en fijngevoeligheid in alles, om te kunnen onderscheiden waar het op
aankomt". Wel, dierbare parochianen en gasten: waar kómt het dan op aan? Niet op
onze kerkgebouwen dus volgens de kardinaal. Die kunnen eerder een belasting, ja
een molensteen zijn die ons naar de diepte trekt. Daar komt het dus níet op aan.
Maar waar komt het dan wél op aan? De kardinaal zegt: In deze tijd "kiezen mensen
bewust voor geloof. Dat dan wel authentiek moet zijn."

Wat bedoelt de kardinaal met dat 'authentieke geloof'? Ik ga hem nog weer even
uitvoerig citeren:
"Het rooms-katholieke geloof richt zich op de hele mens, in alle stadia van het leven.
Bij de pieken in iemands leven, maar ook bij de dalen." Hé... daar horen we
misschien een echo van de profeet Jesaja die we hoorden in het evangelie van deze
dag. Johannes de Doper citeert daarin Jesaja. En die heeft het óók over pieken en
dalen: "Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht; elk dal zal worden
opgevuld, elke berg en heuvel geslecht." Er kunnen allerlei blokkades en valkuilen
zijn, die tussen ons en God in kunnen staan, zo begrijp ik dat. Zie je die valkuilen?
Zie je die blokkades? Kun je ze onderscheiden? En kun je ze vervolgens uit de weg
ruimen die blokkades? En kun je die valkuilen opvullen?

Keren we weer terug naar kardinaal Eijk. Hij vervolgt: (In het rooms-katholieke
geloof) is er "plaats voor de menselijke zwakheden. Ieder van ons laat tijdens zijn of
haar leven immers een spoor van moreel zwerfafval achter zich. Van verbroken
beloftes, leugens en andere misstappen. Het rooms-katholieke geloof biedt mensen
de mogelijkheid daarmee in het reine te komen. Niet door uiterlijk de schijn op te
houden, maar door innerlijke groei. Dat is mogelijk omdat God onvoorwaardelijk van
ons houdt. Een gegeven dat mijlenver afstaat van de huidige druk die mensen
ervaren om zich zo succesvol mogelijk te presenteren". Aldus, opnieuw, kardinaal
Eijk.

Snappen wij waar hij het over heeft? Hebben wij ook van dat "moreel zwerfafval" in
ons leven? Heb jij het? Heb ik het? En zo ja: wat doe je er dan mee? Stop je het
weg, liefst zo diep mogelijk? Of durf je ernaar te kijken en haal je het te voorschijn en
ga je erover spreken met mensen, met geloofsgenoten of wellicht zelfs met een
priester die je van Godswege vergeving kan aanzeggen en schenken als je dat
verlangt en als je daarom vraagt? Want ja, veelgeliefden, zo is dat denk ik... Wie zijn
of haar 'moreel zwerfafval' ontkent en wegstopt, die blijft er mooi, of nee: niet mooi,
mee zitten. Ga je erover praten en vraag je om vergeving en krijg je die ook, dan ben
je er lekker van af. Ik ben het met de kardinaal eens dat "innerlijke groei" voor ons
alleen mogelijk is als wij de morele leemtes, de dalen van ons leven, als wij die
opvullen en als we de morele blokkades van ons leven waar we tegenaan lopen, de
bergen en de heuvels van ons leven, als wij die 'slechten': als we die afgraven en uit
de weg ruimen. Maar: morele leemtes en blokkades, wat zijn dat?


Net als Paulus bracht ook de Engelse schrijver Oscar Wilde enige tijd in de
gevangenis door. Daar schreef hij het volgende: "Een mens maakt zijn ziel wáár door
alle passies die daar vreemd aan zijn weg te doen, alle cultuur die aangeleerd is en
elk uiterlijk bezit. (...) Op vele wijzen was ik de vijand geweest van mijn eigen ziel,
maar ik vond hem terug als een vriend die op mij wachtte. Als je in contact komt met
je ziel, dan word je eenvoudig als een kind, zoals Christus zegt dat je zou moeten
zijn. (Maar) het is tragisch hoe weinig mensen ooit "hun ziel bezitten" voordat ze
sterven. "Niets is zeldzamer in elk mens (...) als een daad van hemzelf." (...) De
meeste mensen zijn andere mensen. Hun gedachten zijn die van iemand anders,
hun leven is nabootsing, hun passies zijn een citaat." Tot zover Oscar Wilde.2 Ik denk
dat dit er mee te maken heeft met die zogenaamde leemtes en blokkades in een
mensenleven: Het gaat om de dingen die jou belemmeren om werkelijk de mens te
zijn die je zou kunnen zijn, zoals God je graag zou zien en waar Jezus ons bij wil
helpen opdat die kan verschijnen.

Terug naar de kardinaal: "Ik ben ervan overtuigd dat de Rooms-Katholieke Kerk haar
authentieke geluid niet moet afstemmen op wat bon ton is in de samenleving. Velen
zouden het toejuichen wanneer de Kerk meer als de samenleving zou klinken. Dat is
echter een heilloze weg." Hé, daar ben je die 'weg' weer, de weg van Jesaja! "Dat is
(...) een heilloze weg. Het is immers aan de Kerk om een profetisch stemgeluid te
laten horen. Door samen te vallen met haar omgeving zou de Kerk zichzelf
tegenspreken. Want gelovigen hebben de taak om 'het zout der aarde' te zijn, zoals
Jezus in het Evangelie van Matteüs zegt. En dat moeten ze ook zijn in een tijdperk
waarin de samenleving een zoutloos dieet nastreeft. Juist dan zou ik zeggen." Aldus
de kardinaal. Binnen onze samenleving registreert hij blijkbaar allerlei tendenzen die
neigen naar 'zoutloosheid'. De Kerk daarentegen, de gelovigen, wij - hebben het zout
in huis! Het is geen geringe pretentie - waarmee Jezus ons heeft opgezadeld, belast,
die Hij ons heeft geschonken.

Ik ga nog even door met de kardinaal: "Het is één van de taken van de Kerk om
individuen en de samenleving een spiegel voor te houden. Niet zodat die een
bewonderende blik op zichzelf kunnen werpen. Nee, de Kerk functioneert als een
kritisch tegenover. Bovendien trekken tegenpolen elkaar aan. De kerk die in de
samenleving het andere verhaal vertelt, die het tegendraadse doet, die heeft
duurzame aantrekkingskracht. Zo'n Kerk kan mensen raken. Die intrigeert, inspireert
én innoveert - want zet de mens op de weg naar een betere versie van zichzelf."

Tot zover kardinaal Eijk. Overal stort onze Roomse kerk als een kaartenhuis in
elkaar. "Van het eertijds Rijke Roomse Leven", zo zegt hij ook nog, daarvan "staat in
Nederland alleen nog de façade overeind (...) Op sommige plaatsen is de kerk
slechts een stenen decorstuk, waarachter zich nauwelijks een geloofsleven afspeelt."
De prognose is dat waar er in 2013 nog 214.00 katholieken op een gemiddelde
zondag in Nederland naar de kerk gingen, dat er in 2030 nog maar 60.000 zullen
zijn. Als wij onze menskracht en middelen niet bundelen, derhalve, dan zullen onze
kerken alleen nog maar leger, kaler en schraler worden is de verwachting. En dat is
geen opwekkend en aanstekelijk perspectief.

Maar niet getreurd zegt de kardinaal als ik hem goed begrijp, laten we vooral niet bij
de pakken neerzitten. Gebouwen die we te veel hebben, die doen we gewoon weg,
want het gaat niet om de gebouwen. We gaan met degenen die over zijn gewoon
lekker bij elkaar zitten en we blijven als kerk gewoon lekker onze eigen koers varen,
die van Jezus, en dát zou ons moeten verbinden, met Hem, met Jezus, met God, en
met elkaar. "Saneren. (Dat is) een woord met een negatieve bijklank, maar dat
feitelijk 'gezond maken' betekent" brengt de kardinaal ons in herinnering - en hij kan
dat weten, want hij is zoals bekend ook dokter. Als we ons als kerk door Christus
gezond laten maken op de manier zoals de kardinaal dat voor zich ziet, dan zal het
vroeg of laat met de kerk ook qua vitaliteit en getalsmatig wel weer de goede kant op
gaan, zo suggereert hij. De profeet Baruch, in de eerste lezing vandaag, sprak: "(...)
leg uw kleed af van ellende en rouw". En: "zie uw kinderen van alle kanten
samenkomen op het woord van de heilige God (...)". "Te voet gingen zij van u weg",
de kerkverlaters, "maar eervol brengt God hen terug als op een koningstroon
gedragen." Daar komen de nieuwe gelovigen aan, de nieuwe katholieken en de
herintreders! De kardinaal, Eijk, gelooft er in. De man heeft een groot geloof.

En u? En jij? En ik? Kunnen u, jij en ik in God, in Jezus blijven geloven, óók als er
nóg veel meer kerkgebouwen verdwijnen en als wij met dat geloof van ons binnen
onze samenleving en binnen onze familie-, vrienden- en kennissenkring steeds meer
alleen komen te staan? Ik help het de kardinaal hopen en wens het ons toe, zoals ik
ons toewens dat wij net als Paulus en Oscar Wilde uit de gevangenis komen als we
daar inzitten al zijn we dan zogenaamd vrij. Oscar Wilde schreef: "De mensheid (of:
de menselijkheid) heeft gevangen gezeten met ons allen, en nu ik naar buiten ga, zal
ik mij altijd blijven herinneren wat een grote vriendelijkheid ik hier ontvangen heb van
bijna iedereen."3 Mogen wij die grote vriendelijkheid allen ervaren veelgeliefden.
Mogen wij elkaar in ons hart dragen... naar Kerstmis toe en verder. Amen.


1 'Religieus kapitaal: het vermogen om Kerk te zijn'. Toespraak op de religieuze jaardag ABN-AMRO
op 26 november 2015.
2 In: De profundis, brief vanuit H. M. Prison te Reading aan Sir Alfred Douglas (januari-maart 1897). In: Complete works of Oscar Wilde. With an introduction by Vyvian Holland. London (1980), p. 925-926. Vert: pv.
3 Oscar Wilde, Op. cit., p. 935.

Abraham, de economische vluchteling

Geplaatst 24 nov. 2015 06:27 door De Stadslamp Amsterdam

Jeruzalemkerk Amsterdam, zondag 8 november 2015.
Ds. Tim Vreugdenhil (gastpredikant). 
Preek over Genesis 12,10-13,1 en Psalm 3.

1. Heel wat migranten hebben, in allerlei tijden en omstandigheden, als ze eenmaal in het ‘land van aankomst’ waren hun verwachtingen flink moeten bijstellen. De eerste kolonisten in Amerika bijvoorbeeld hadden met veel tegenslag te maken. De duizenden en duizenden Europeanen die in de 19e en 20e eeuw in New York arriveerden, merkten al snel dat ze niet bepaald in het paradijs waren beland. En vorige week heeft staatssecretaris Klaas Dijkhoff aan de mensen die op dit moment in Nederlandse asielcentra verblijven een brief gestuurd waarin hij waarschuwt voor te hoge verwachtingen. De opvang is erg druk en de procedures duren erg lang, schrijft hij. Zelf vond ik dat de staatssecretaris in het tv-programma Pauw heel goed kon uitleggen dat zo’n brief nodig en nuttig is. Wel blijf ik me verbazen over de laatste zinnen: “Het kan lang duren voordat u duidelijkheid krijgt. Op dit moment kan ik helaas niet aangeven hoeveel tijd dat kost. Ik hoop u met deze brief voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet.” Ik vraag me af of er op het ministerie over is gediscussieerd: moet er nog iets meer compassie aan het slot, ‘veel sterkte’ is toch wel het minste? Een krant pikte het goed op: wat voor brief zou jij sturen?

2. Ook Abraham heeft zijn verwachtingen flink bij moeten stellen en hij kreeg niet eens een brief. Genesis 12 vertelt eerst over de enorme reis die Abraham maakt vanuit Ur. Breek je tent op, ga op reis, naar het land dat ik je wijs. Dat zegt de stem, de Heer, en dat roept een boel verwachting op. Hoe teleurstellend dat al vanaf vers 10 verteld moet worden hoe dit beloofde land feitelijk bitter tegenvalt. Wat wij nu economische crisis noemen, heette destijds concreet hongersnood, een zeer zware nog wel. Dat kan heel goed járen van droogte en misoogst betekenen. Abraham, die bepaald niet met lege handen uit Ur was vertrokken is ondertussen tot armoede vervallen: hij was op weg gegaan met veel schapen en kamelen, slaven en slavinnen, maar na vers 10 horen we daar niets meer van, ze zijn verdwenen. Het ligt voor de hand dat bij een ernstige hongersnood de slaven verkocht zijn en de dieren misschien nodig waren om de mensen te voeden, tot en met het laatste schaap. De herdersvorst uit Ur is een kwetsbare economische migrant geworden. Een paar fikse teleurstellingen rijker. En er doemen al weer nieuwe gevaren op.

3. Waar vandaag de meeste migranten in Europa graag naar Duitsland willen, was dat in Abrahams tijd Egypte. Egypte heeft de Nijl en zolang de Nijl stroomt, is er graan. Dus Egypte is voor Abraham een logische keus (en hij zat toch al in de Sinaïwoestijn). Maar - Egypte is wel een andere cultuur met een andere regering en andere normen. In die tijd stuurde de farao nog geen brieven (of papyri) aan migranten, maar als hij het had gedaan, zou er staan: voel je welkom, we delen ons graan met je tegen een schappelijke prijs, maar hou er rekening mee dat je vrouw, zus of dochter zomaar in een of andere harem kan verdwijnen. Ik hoop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Abraham heeft geruchten gehoord over ‘de Egyptenaren’ en hou die oog hebben voor mooie vrouwen en weinig genade voor de man die er toevallig naast loopt. Het is misschien wel duizend of tienduizend keer door zijn hoofd gegaan, zoals ook ik als ik bang ben allerlei scenario’s verzin of in mijn hoofd honderd keer het gesprek alvast voer. In alle hulpeloosheid denkt Abraham: ze moeten in ieder geval niet denken dat ik haar echtgenoot ben. De andere kant is dat je door dat rond te bazuinen Sara in een kwetsbare positie brengt. Als ik mijn vrouw mijn zus ga noemen, moet ik niet kwaad worden als iemand anders met haar wil daten. Het duurt niet lang of de Egyptische roddelbladen beginnen over Sara te praten en in de kazernes van Egypte worden posters van haar opgehangen. Tenslotte belandt Sara in het paleis van farao. In dat paleis zijn in ieder geval twee dingen: de harem en het bed van farao. Van beide wordt Sara niet gevraagd of ze daar zin in heeft. Dan maak je maar zin.

4. Wat moet je zeggen over Abrahams angst? Abraham is hier bepaald niet de held die hij in andere verhalen wel is. Heeft een eindredacteur even niet goed opgelet? Nee natuurlijk. Het staat er niet voor niks. Het is waar dat Abraham de vader van alle gelovigen is, maar hij is óók de vader van alle bange mensen. Geloof en angst zijn in de bijbel geen verschillende werelden, ze liggen heel dicht bij elkaar – sterker: ze lopen in dit boek vaak dwars door elkaar heen. Hoe kan het dat de Abraham die in vers 6 tot 9 nog druk is met altaren bouwen en de naam van de Heer aanroepen, dat na vers 10 niet meer doet? Ik snap dat heel goed. Ik bid soms wel eens als ik bang ben. Maar meestal vergeet ik het. Ik geloof er dan niet zo in dat het verschil maakt. Ik snap het pragmatisme van Abraham: je kan maar het beste een plek opzoeken waar graan is. Christen zijn is nogal wat, vind ik. Als Luther zegt: Uit angst en nood stijgt mijn gebed, o Heer, wil naar mij horen! – dan weten we dat hij dat járen zo gedaan heeft. Járen van roepen tot God vanuit een existentiële angst. Het is zijn ervaring en de ervaring van veel mensen die naar God zoeken: dat het net is alsof de hemel antwoord met “Op dit moment kan ik helaas niet aangeven hoeveel tijd uw verzoek gaat kosten. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.” Het zou wat zijn als Abraham nooit bang geweest was. Hij zou in één klap onbruikbaar zijn als paradigma van waar geloven over gaat.

5. Er is al vaak gezegd dat Westerse samenlevingen steeds minder concreet gevaar kennen, terwijl we met elkaar steeds banger worden. Bas Heijne vraagt zich af waarom de gemoederen over vluchtelingen in Nederland hoger oplopen dan in andere landen. Zijn antwoord is: angst. Citaat: “Het is een verlammende angst, de angst dat de vluchteling misbruikt maakt van onze goede bedoelingen, ons de kaas van het brood gaat eten, ons te kijk zet als Gekke Henkie. Alles liever dan dat.” Hij zegt dat die angst in brede lagen van de bevolking speelt en hij noemt die angst oer-Hollands: dat iemand misbruik maakt van onze goedheid. Ik denk dat hij gelijk heeft. Ik denk dat de staatssecretaris een oer-Hollandse brief heeft geschreven. Zoals ook ikzelf oer-Hollands ben door compassie te hebben met iedere vluchteling waarover ik lees en niettemin vind dat we onze grenzen niet zomaar moeten openzetten. Waarom niet? Angst! Ik weet niet wat er dan gebeurt. Het Abraham-verhaal gaat over angst als self-fulfilling prophecy. Het móet wel fout gaan wat hij doet. Zoals het ook wel fout móet gaan als wij niet weten of we vluchtelingen nu wel of niet willen helpen, er relatief weinig opvangen in overvolle asielcentra en brieven sturen over dat we niet weten hoe lang dat duurt. Denken we nu echt mensen goed te kunnen integreren als we zeggen: verwacht maar niet teveel? Voeden we zo onze kinderen op? Bijbelse verhalen fungeren allereerst vaak als spiegel. En spiegels doen vaak schrikken.

6. En nu kunnen we juist aan dit verhaal ook moed ontlenen, veel moed. Die moed begint ermee dat je de humor herkent. Waar Abraham nog onbestemde angsten had voor ‘de Egyptenaren’ is het uitgerekend farao himself die er met Sara vandoor gaat. En Abraham wordt zoals hij hoopte niet gedood maar wordt ongewild een soort Dagobert Duck: hij weet niet waar hij alle geiten en schapen moet laten die hij cadeau krijgt, maar het is de rente voor het lenen van zijn vrouw en daar word je natuurlijk niet gelukkig van. De humor – met een diepe ernst – zit ‘m ook hierin dat de farao een nauwe opvatting van huwelijksmoraal blijkt te hebben, al dan niet gespeeld: als ik wist dat het úw vrouw was, had ik het natuurlijk nooit gedaan, zegt hij. Tenslotte wordt het stel herenigd en worden ze door marechaussees op transport gezet naar de grens maar nog nooit zijn twee mensen met zo’n enorme glimlach uitgezet, want ze willen graag naar huis en ondertussen mogen ze alles wat ze van de farao hebben gekregen meenemen. De zware hongersnood van vers 10 is in vers 20 veranderd in rijke overvloed. Grappenmakerij dus? No way. De oudtestamenticus Walter Brueggemann zegt: dit is er ook weer eentje, één van die vele bijbelse verhalen speciaal voor bange mensen. Het volk van Israël is vaak een bang volk (en terecht), maar altijd weer vertelt het die verhalen waarin de wereldmachten voor gek worden gezet. De wending zit ‘m in drie woorden (vers 17): Maar de Heer…! Zoals ook van Jezus wordt gezegd dat hij aan het kruis de machten en de krachten voor schut heeft gezet en over hen getriomfeerd. Uit angst en nood stijgen verhalen en die verhalen worden tot gebeden. Zo is ‘Abraham in Egypte’ de miniatuur-versie van wat straks het reusachtige exodus-verhaal zal worden, als God tegen de farao zegt – niet alleen let that woman go, maar let my people go – en dan dus een heel vólk overladen met geschenken uit Egypte door de Rode Zee trekt, de Negev in. Bijbelse verhalen lezen doe je om je eigen angsten weerspiegeld te zien, maar ook te horen dat er een God is. De God van psalm 3. Een schild. De God die bange mensen redt. Van Abraham tot David tot misschien wel jij en ik. En let wel… Abraham is niet de vader van de mooie verhalenvertellers. Abraham is de vader van wie in zulke verhalen durft te geloven!

6. Eén is er moedig in dit verhaal. Zij is de hoofdpersoon en zij heet Sara. Ze lijkt een object waarmee gesold wordt. In werkelijkheid is zij echter de redder van Abraham. Hij sméékt haar: zeg dat je mijn zus bent. Dat doet ze en daarvoor draait ze de harem in. Ze houdt haar kiezen op elkaar. Ze offert zichzelf voor haar bange echtgenoot. Als iemand in dit verhaal aan Jezus doet denken, dan is het Sara. Dat de Heer ingrijpt, doet hij vanwege haar. Zo staat het er (vers 17). De kracht ervan wordt door de verteller benut door aan Sara geen tekst te geven en haar emoties niet te vermelden, al heeft ze natuurlijk van alles gezegd en gevoeld. Wellicht ook dit: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ De klacht van zoveel Israëlieten door de eeuwen heen, de klacht van Israëls grote zoon Jezus. Ook daarom is er dit verhaal. Deze Sara, speelbal van de omstandigheden, heeft een God. Die God die haar laat lachen van vreugde. Als Abraham haar terugkrijgt, ontvangt hij iemand die eigenlijk al dood geweest is maar die nu leeft. En daarom is dit verhaal eigenlijk ook een brief. Een brief van God aan mensen in angst en nood. Een brief aan jou en mij ook. “Ja, er is veel onduidelijk. Zeker, het kan lang duren. Maar ik ben je schild, ik ben je eer, ik hou je staande. En omdat je op dat punt nooit genoeg bent geïnformeerd, blijf ik het zeggen. Met liefdevolle groet, je Vader.” Abraham kan Sara niet beschermen. Staatssecretaris Dijkhoff kan geen asielzoekers redden. Geen mens kan voor een ander mens écht een schild zijn. Geen wonder dat we het zo vaak in onze broek doen van angst. God weet dat. God zegt dus niet: Abraham, waar is je geloof? En Jezus komt niet naar mensen toe: waar is jullie geloof? Het evangelie is: vrees niet, want zie ik verkondig jullie grote blijdschap. Het schild waar Abraham niet altijd in geloofde en Luther lange tijd aan wanhoopt, dat bestaat. Ik ben het.

7. De spirituele dynamiek van dit verhaal. Wat heb je eraan, voor je eigen hart en ziel, je eigen angst en vertrouwen? Er is een objectieve kant: wat God doet in Jezus. De hoop die Abraham op Sara stelt, is een wegwijzer: als Jezus wil zeggen dat hij onze broer is, loopt alles goed af. Maar dat is geen mantra of dogma. Er is een subjectieve kan: de heilige Geest moet je dat toeëigenen. En dat wil zeggen: het bericht dat Jezus je schild wil zijn brengen (en verankeren!) op de plaats van jouw angst. Wij hoeven niet bang te zijn onze vrouw of man aan een koning te verliezen en ook niet voor een hongersnood. We hebben al die angsten die oer-Hollands zijn: bang om zekerheden te verliezen, bang om ongelukkig of irrelevant te zijn, bang dat we gekke Henkie zijn, bang om dood te gaan. Ik ben christen omdat ik het hoopvol vind dat hier een handleiding wordt aangereikt om minder bang te worden. Leven is één grote oefening in minder bang worden. Abraham is niet moedig geboren maar moedig geworden en op díe weg wil ik hem wel volgen. De Heer is een schild, las ik ergens, dat is ook een geestelijke uitdaging. Een schild is er om te gebruiken en moedig de strijd aan te gaan, niet om weg te rennen.

8. En hebben asielzoekers daar wat aan? Zeker, er is niets beters dan dit. Je kunt brieven sturen en soms moet dat ook. Van brieven is nog nooit iemand geïntegreerd. Niets heeft meer integrerende kracht dan het bijbelse verhaal. Over mensen die zichzelf gewonnen geven aan God, die op weg gaan, die zich niet laten gijzelen door wat ze wel of niet hebben, mensen die op reis gaan naar het land dat God hen wijst.

Een stadswijk met moslims en volop secularisatie: en de Kerk dan?

Geplaatst 7 sep. 2015 03:08 door De Stadslamp Amsterdam

Zondag 6 september 2015, 
Boomkerk, Amsterdam-West. Ter gelegenheid van de heropening van de gerestaureerde kerk.
Preek door Mgr. jan Hendriks, hulpbisschop Haarlem-Amsterdam.




Proficiat!

Broeders en zusters,
Allereerst wil ik u nogmaals van harte feliciteren
met de prachtige, vernieuwde Boom- kerk,
toegewijd aan de H. Franciscus van Assisi,
een heilige die acht eeuwen geleden heeft geleefd,
maar ons, mensen van deze tijd,
nog steeds bijzonder aanspreekt:
zijn eenvoud, zijn armoede,
zijn radicale beleving van het evangelie,
zijn charisma
werken door.
Het is niet zomaar dat onze huidige paus
de naam van deze heilige die Uw patroon is,
als naam en programma heeft gekozen.

Deze kerk heeft een schitterende accommodatie,
met een pastorie en prachtige zaal
en een fraaie kerk
die nu weer helemaal in orde is.
Daar kan ik U alleen maar mee feliciteren!

Taak

Dit legt natuurlijk ook
een bijzondere taak op Uw schouders,
want de stenen zijn niet voor niets
zo mooi gerenoveerd.
Dat is de taak
om dit allemaal goed in te zetten
en vruchtbaar te laten worden.
Hoe zou dit kunnen?

Niet "zij"en "wij"

Het komende jaar van Barmhartigheid
dat onze paus heeft uitgeroepen,
is daar een bijzondere gelegenheid voor.
Wat wil paus Franciscus met dat jaar?
Hij wil deuren openen
naar de barmhartigheid van Jezus
en hij wil dat wij de straat opgaan,
de mensen ontmoeten,
hen aanzien als het ware met de ogen van Jezus,
die naar zondaars en tollenaars ging
met een blik vol barmhartige liefde.
Misschien hebben we allemaal
wel eens angstige gevoelens,
bijvoorbeeld nu over de vluchtelingen
die naar Europa komen:
zullen al die moslims geen gevaar voor ons vormen,
voor onze cultuur, onze vrijheid en verworvenheden?
En het is waar:
we weten niet wat de toekomst zal brengen,
hoe de cultuur zal veranderen,
hoe de vluchtelingen zullen integreren,
maar het is niet goed om te denken
in “zij”en “wij”,
in onze eigen mensen
en ‘andere’ mensen,
met wie wij niet te maken willen hebben.
We zijn allemaal mensen,
niemand is meer mens dan een ander,
en juist wij als christenen en katholieken,
die in zekere zin de waarden vertegenwoordigen,
die Europa meer dan duizend jaar
hebben vorm gegeven,
zullen van die christelijke wortels
moeten en kunnen getuigen.

Secularisatie

Zoveel mensen hebben in onze tijd
die christelijke wortels
nooit echt leren kennen.
Zij hebben misschien
vooropgezette ideeën over religie,
hebben er iets over gehoord,
zoals wij misschien over confucianisme of zo
maar ze hebben geen kennis van binnen uit,
ze zijn er nooit door geraakt.
Toch zijn bijna alle mensen zoekend
naar de zin en betekenis van hun leven en het lijden,
naar het waarom en het doel van een mensenleven.
Niet dat wij alle antwoorden weten.
En ieder antwoord begint
met naar hen te luisteren
en hen trachten te begrijpen,
ook in hun diepste verlangens.
Niet oordelen, zeker niet te snel.

Lees de rest van deze preek op WWW.ARSACAL.NL


Pinksteren. De Geest is uitgestort!!

Geplaatst 25 mei 2015 02:44 door De Stadslamp Amsterdam

Meditatie op Goed Nieuw Radio, zondag 24 mei 2015,
door Jurjen ten Brinke, voorganger van de gemeente Hoop voor Noord, Amsterdam Noord.

Bijbelgedeelte: Handelingen 2:1-11

Pinksteren. De Geest is uitgestort!! Vandaag vieren we het. En er is best een groot verschil tussen Pinksteren en de andere christelijke feesten. Met Kerst, Goede Vrijdag, Pasen en Hemelvaart gaat het om het werk dat de Here Jezus eens en voorgoed heeft volbracht. Maar Pinksteren heeft een ander karakter. Pinksteren is het feest dat doorgaat. Het is een keer begonnen, toen en daar in Jeruzalem, maar het is nog steeds niet afgesloten, het breidt zich uit over de hele wereld. We mogen het Pinkstergebeuren niet beperken tot wat we in Handelingen 2 lezen, nee, heel het boek van de Handelingen spreekt ervan. Telkens weer komt de Geest: in Jeruzalem, in Samaria, in Cesaréa en in Efeze. Wij leven nu in het tijdperk van de Geest. En zo mogen we deze dagen in gaan. Verwachtingsvol naar wat God wil doen! 

Maar er is nog méér. Want de Geest werd uitgestort terwijl er veel mensen in Jeruzalem bij elkaar waren voor het oogstfeest (dat was tot op dat moment het Pinksterfeest). Het feest van de eerstelingen. De eerstelingen van de tarweoogst werden in de tempel gebracht en aan de Here toegewijd. En die eerstelingen hielden de belofte van de volle oogst in! En als de Heer op Pinksteren de Heilige Geest uitstort, worden door het werk van de Geest onder de prediking van de apostelen de eerstelingen van de oogst uit de volken ingezameld. Al op de eerste dag zijn dat 3000 mensen! En zij zijn de zekerheid dat God in deze tijd, de tijd die met Pinksteren is aangebroken, een volle oogst van volken uit de hele wereld zal inzamelen. En daarbij zullen mensen komen uit alle geslachten, talen, natiën en culturen. Als voorganger van een kerk in Amsterdam-Noord zie ik het gebeuren.


Opstanding beloofd

Geplaatst 14 apr. 2015 01:49 door De Stadslamp Amsterdam   [ 16 apr. 2015 02:32 bijgewerkt ]

Pasen 5 april 2015.
Weteringkerk, Amsterdam.
Gabriël Jansen

Lezingen: Ps 118: 5, 15-24; Lukas 24: 1-10, 36-48.

We hoorden in de lezingen wat er zoal gebeurde op die dag. Ik wil er twee dingen uitlichten. 

1 De rol van de vrouwen 

Vrouwen, die van Jezus hielden, gingen naar het graf, om zijn lichaam te verzorgen. Het was allemaal gruwelijk misgegaan. Maar uit liefde komen zij, om Hem te balsemen.
En dan horen zij: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is niet hier, Hij is uit de dood opgewekt.”

Vrouwen hebben een unieke rol in de opstandingsverhalen. En trouwens ook bij de lijdensdagen. Zij zijn trouw. Denk aan moeder Maria onder het Kruis. En deze Maria’s hier bij het graf.
Zij zien de opgestane Heer het eerst, en zij gaan het vertellen aan de mannen, de apostelen, waarvan verschillende meer tijd nodig hebben om Hem te kunnen gaan zien. Maria van Magdala wordt eervol genoemd: Apostel voor de apostelen. Boodschapper van de boodschappers. Opnieuw is de vrouw de helper voor de man(nen). (De man is dus hulpbehoevend).
Misschien is dit de spiegel van Genesis hoofdstuk 3, waar Eva de eerste is die gaat praten, aandacht geeft aan de verkeerde persoon, en verleid wordt tot ongehoorzaamheid. (Overigens: haar man stond bij haar, en steekt geen vinger uit om dit te voorkomen.) 

Maar hier, bij het graf, gaan de vrouwen ook aan de praat… met engelen. En hier ontvangen zij door het gesprek, en door de ontvankelijkheid: openbaring, geloof. Een prachtige rehabilitatie van Eva.
Het getuigenis van vrouwen stelde in die tijd weinig voor. Dat blijkt ook uit sommige opstandingsverhalen. Hun getuigenis over de verrezen Heer werd in eerste instantie niet serieus genomen door de mannen. Maar het is Gods aard, Hij heeft er plezier in, om juist datgene dat door de mensen voor minder belangrijk wordt aangezien, te verheffen, en de hoofdrol te geven.

2. de Mensenzoon moest …

En dan, wat zeggen die engelen verder: “Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.”

Ook als Jezus zelf later de leerlingen ontmoet, zoals we hoorden, klinkt hetzelfde:
‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ 45 Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. 46 Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood,”
Daartussendoor ontmoet Jezus op die dag ook de Emmausgangers. En zegt tegen hen hetzelfde: “Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten.” 

Daar had ik wel bij willen zijn, bij die Bijbelstudie van Jezus! Maar eigenlijk komen we die studie, ofwel die verwijzingen vanuit de Schrift, dus vanuit het Oude Testament, op vele plaatsen in het Nieuwe Testament ook tegen. Want ze zijn heel belangrijk voor het getuigenis over Jezus. Paulus zal het later zo zeggen:
1 Korinthiers 15: 3-6 NBV:
“3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk…”

Waar staat dat dan in het Oude Testament ? Het staat overal!

We hebben gehoord uit Ps 118.
De psalmen 113 t/m 118 worden de Hallel-psalmen genoemd, d.w.z. de Lof-psalmen. (Het woord Halleluja herkennen we er in, Loof de Heer!) Deze werden, in de tijd dat de tempel bestond, door de Levieten gezongen tijdens het brengen van het Pesach-offer. Het maakt onderdeel uit van de vaste gebeden en rituelen waarmee op de sederavond het verhaal van de uittocht uit Egypte verteld wordt. Ze gaan over bevrijding, uitredding uit doodsgevaar. Verlossend ingrijpen van de Heer.
Ik lees nog een stuk uit één van die psalmen, Ps 116. “Gered uit doodsgevaar” staat er boven.
“1 De HEER heb ik lief, hij hoort mijn stem, mijn smeken,
2 hij luistert naar mij, ik roep hem aan, mijn leven lang.
3 Banden van de dood omknelden mij,
angsten van het dodenrijk grepen mij aan,
ik voelde angst en pijn.
4 Toen riep ik de naam van de HEER: ‘HEER, red toch mijn leven!’
5 De HEER is genadig en rechtvaardig, onze God is een God van ontferming,
6 de HEER beschermt de eenvoudigen, machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
7 Kom weer tot rust, mijn ziel, de HEER is je te hulp gekomen.
8 Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood,
mijn ogen gedroogd van tranen, mijn voeten voor struikelen behoed.”

Dan komt de korte Ps 117 (Loof de Heer, alle volken … want zijn trouw is tot in eeuwigheid”), en dan die Ps 118. Ik herhaal daaruit nog de verzen 22-24:
“De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden.
Dit is het werk van de HEER, een wonder in onze ogen.
Dit is de dag die de HEER heeft gemaakt, laten wij juichen en ons verheugen”

DE dag dus, de ‘dag des Heren’, de dag waar het allemaal om ging.

Maar er is nog veel meer in de Psalmen. Bijvoorbeeld:
Ps 16:10 : U levert mij niet over aan het dodenrijk, en laat uw trouwe dienaar het graf (of: het verderf) niet zien.
Ps 49:16 : Maar mij zal God vrijkopen uit de macht van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen.

Of kijken we naar de Profeten, zoals:
Jesaja 25: 6-9 ;
“6 Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten voor alle volken een feestmaal aan:
uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen.
7 Op deze berg vernietigt hij het waas dat alle volken het zicht beneemt,
de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.
8 Voor altijd doet hij de dood teniet.
God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht, de smaad van zijn volk neemt hij van de aarde weg
– de HEER heeft gesproken.
9 Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God! Hij was onze hoop: hij zou ons redden.
Hij is de HEER, hij was onze hoop.
Juich en wees blij: hij heeft ons gered!”

Jesaja 53:10-11 (en lees de rest van dit hoofdstuk voor de context!) :
“Hij offerde zijn leven voor hun schuld,
om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde.
11 Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd.”

Hosea 6:1-2 :
“1 Kom, laten wij teruggaan naar de HEER! Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen; de hand die sloeg, zal ons verbinden.
2 Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet hij ons opstaan:
in zijn nabijheid zullen wij leven.”

Of het verhaal over die wonderlijke, tegenstribbelende profeet Jona:
Jona 2:1 “De HEER liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.” 
 (Jezus zelf betrekt dit gebeuren op wat er met Hem zal gebeuren. Het zal voor de mensen dan een teken zijn.)

Maar ook nog boven deze “losse” teksten uit - en er zijn er nog véél meer - is de “vingerafdruk” van de opstan­ding, van het leven na en dwars door de dood, te lezen in de Schrift. In de grote verhalen van lijden en verlossing. Wat denk je van aartsvader Jozef! Zijn levensverhaal is één grote voorafbeelding van Jezus lijden, dood en opstanding: De geliefde zoon, die mishandeld, verkocht als slaaf, doodgewaand, vernederd, en verhoogd, zijn broeders kan redden en een plaats voor hen bereiden.

Zo is het hele Oude Testament doordrenkt met de dynamiek van de opstanding. Met hoop na wanhoop, verzoening na straf, genezing na lijden, vernieuwing na het einde, verhoging na vernedering, leven na dood. Als je de Schrift uitwringt dan druppelt er opstanding uit.
Wil je het Oude Testament begrijpen, wil je de grote lijn oppikken? Zoek dan het Nieuwe Testament in het Oude Testament, zoek Jezus in de hele Bijbel. Dan sta je ook in een goede oude traditie. Zo lazen de apostelen, de eerste christelijke schrijvers en de kerkvaders de Schrift ook.

Toepassing
Ik heb vandaag met jullie vooral dit willen doen: een beetje nazoeken wat Jezus zal hebben bedoeld toen Hij dat zei, dat de hele Schrift, Mozes, de profeten, de psalmen, getuigde van zijn lijden, dood én opstanding. Tot versterking van ons geloof.
En wat betekent dan die opstanding van de Heer Jezus voor ons, in ons dagelijks leven? Hoe verandert en hoe bevrijdt dit ons? Ik houd dat nu heel kort (daarvoor hebben we ook die andere 51 zondagen van het jaar…), en citeer alleen een klein gedeelte uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen in Kolosse (Kol 3,1-4):
“Broeders en zusters, als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijk­heid.

De liederen die we vandaag zingen verkondigen ons de opstanding van de Heer. En óók wat dat voor ons betekent. Laten we dan zingen met wijd open oren.

Amen.

Leven door de opstanding

Geplaatst 14 apr. 2015 01:23 door De Stadslamp Amsterdam   [ 14 apr. 2015 01:24 bijgewerkt ]

VERKONDIGING op 5 april 2015, Eerste Paasdag, in Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam
door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34a, 37-43), de brief van de heilige apostel Paulus aan de
christenen van Kolosse (3, 1-4) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (20, 1-18).

Dé ultieme Brabantse Maria-kapel: die van Westelbeers in de Kempen. De kapel is
witgekalkt, staat aan de rand van het bos, tussen geboomte en, zoals ze dat daar zeggen,
'aan de stroom': het riviertje de Beerze. Dicht erbij is ook een weg, gelukkig een redelijk
rustige. Op de achterkant van de kapel staat in grote cijfers het jaartal '1637' geschilderd. Het
vermoeden bestaat echter dat er op dezelfde plek ook daarvoor al een kapel stond.
Een deur is er niet meer. Die is er wel ooit geweest, want je ziet de scharnierpunten nog
zitten. Mensen kunnen er dus altijd in, dag en nacht, en dat gebeurt ook zegt de beheerster
van de kapel.1 Binnen is het donker. Er is geen electrisch licht - gelukkig. In deze tijd van het
jaar is het er ook kil en vochtig. De kapel heeft iets van een grafkamer, van een open graf.
Maar er staat natuurlijk een Mariabeeld, door kaarsen verlicht, een beeld naar achttiende
eeuws model, van ongeschilderd hout. Een beter beeld bestaat niet. Eronder is een richel en
daarop staan bidprentjes met foto's ván en teksten óver gestorven mensen, van oude
mensen, maar ook van jonge mensen.

Mijn oog werd getrokken door de foto van een knappe jonge man met een vriendelijk, een
heel aangenaam gezicht. Niek van den Broek heette hij. Negentwintig is hij geworden.
Ik lees: "Afgelopen zondag, een mooie lentedag. Niek en zijn vrienden keren terug van het
mountainbiken, één van zijn passies. Ze gaan uit elkaar, een laatste groet nog. Dan voltrekt
zich een drama. Ondanks de geweldige inzet van veel mensen is het een verloren strijd. Als
het bericht van zijn dood ons bereikt stort onze wereld in."
"Een lieve, bescheiden jongen. Zorgzaam, slordig ook, soms eigenwijs, eerlijk en met een
hart van goud. (...) Niek had voor iedereen oprechte aandacht. Met weinig woorden raakte hij
vaak de kern."
"De toekomst zag er zo zonnig uit. Niek ontwikkelde zich de afgelopen jaren met hart en ziel
tot biologische boer. Op een dag zou hij de boerderij overnemen. Opa zei het zo treffend: "Hij
groeide zo mooi in het bedrijf."
Hij was actief in de Youth Food Movement en speelde trompet in het dweilorkest van de
carnavalsvereniging. En: "De bijbel en de koran lagen op zijn nachtkastje." Want: "Niek was
zeer geïnteresseerd in de diepere redenen van het bestaan" - zo schrijven zijn
nabestaanden, ik denk zijn moeder, op dat bidprentje.

Foto en tekst grepen mij aan. Over de koran ga ik niet, maar wel over de bijbel. We hebben
er zoëven uit horen voorlezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen, uit de brief
van de apostel Paulus aan de christenen van Kolosse en uit het Johannes-evangelie. Drie
lezingen waarin op drie verschillende wijzen wordt beweerd en getuigd dat de op het kruis
vermoorde Jezus niet in de dood gebléven is, maar daaruit verrezen is. Dat Hij is opgestaan.
In de Handelingen is er sprake van "getuigen (...) die met Hem (Jezus) gegeten en
gedronken hebben na zijn opstanding uit de doden." In de evangelietekst hoorden wij hoe de
leerling van wie Jezus hield ná Petrus het graf waarvan de steen voor de opening is
weggehaald, hoe hij dat graf binnengaat. En dan staat er: "Hij zag en kwam tot geloof." En
Maria van Magdala ontmoet die geheimzinnige "tuinman" - die haar naam noemt en dán
herkent zij Jezus. In de Kolossenzenbrief tenslotte komen wij zelf ook heel duidelijk in het
vizier waar Paulus schrijft: "Als u met Christus ten leven bent gewekt." Daar wordt dus
geïmpliceerd dat, hoewel zogenaamd 'in leven', ook wij eigenlijk dood waren, maar dat de
verrezen Christus in Zijn kielzog ons in Zijn verrijzenis als het ware meeneemt, meetrékt. "U
bent met Christus verborgen in God" staat er vervolgens - alsof wij bomen zouden zijn die
hun wortels in de hemel hebben en die van daar uit groeien en op aarde aanwezig zijn. Een
prachtige gedachte is dat.
Dierbare gasten en parochianen, wat betekent het allemaal? Wat is er met Jezus gebeurd?
En wat betekent wat er met Jezus is gebeurd voor Niek, voor de plotseling gestorven jonge
boer met het hart van goud en de bijbel op z'n nachtkastje? Wat betekent het voor je eigen
lieve en minder lieve doden? Wat betekent het in verband met je eigen dood die ooit, vroeg
of laat, komen zal? Terwijl ik deze vragen stel, denk ik aan woorden van Paulus in zijn eerste
brief aan de christenen van Korinthe. Ik citeer:
"Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet opgestaan. En als
Christus niet is opgestaan, dan is onze prediking zonder inhoud en uw geloof leeg. (...) Als
de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen, is uw
geloof waardeloos (...) Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben
gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen." (15, 13-17)
Voor Paulus, met andere woorden, staat óf valt ons christelijk geloof dus met die verrijzenis
of opstanding. Maar dan is de vraag: kun jij jezelf daar aan overgeven, je daar aan
gewonnen geven, aan dat geloof in die verrijzenis of opstanding? Kun jij zeggen: Ja, daar
geloof ik in? Want daarmee staat of valt het dus. Daarmee sta of val jij - in elk geval als
gelovige.
Ik was gedurende de afgelopen veertigdagentijd in Brabant vanwege een zogenaamde
dertigdaagse retraite in de traditie van Sint-Ignatius, de stichter van de jezuïetenorde,
dezelfde orde waartoe ook paus Franciscus behoort. Dertig dagen lang in stilte mediteren
aan de hand van bijbelteksten en eenmaal per dag daarover spreken met degene door wie je
begeleid wordt. In mijn geval was dat een dame, de psychotherapeut en geestelijk
begeleider Tineke Renkema, een zeer weldenkende, wijze en liefderijke vrouw. Als je op
youtube haar naam intikt, dan kom je meteen bij een heel mooi kort filmpje2 waardoor je een
goede indruk krijgt van haar persoon en waarop zij een aantal behartigenswaardige dingen
zegt. Zo zegt ze daar bijvoorbeeld:
"Wij gaan allemaal fysiek dood." En dan begint ze nota bene te lachen. En dan spreekt ze
over Christus die lijden en liefde bijeenhoudt, terwijl wij de neiging hebben om dat uit elkaar
te leggen. En dan zegt ze: "Daar zal ik ook op worden beproefd. Ik kan dat nu mooi zeggen,
maar uiteindelijk is dat wat als de nácht echt komt of als het crisistijd wordt, dan zal het hier
om gaan: of ik het bijeen kan houden, lijden en liefde, zoals Hij dat deed." Haar mooiste
woorden op dat filmpje vind ik deze: "Dat je uiteindelijk wel doodgaat, maar dat je er niet aan
dood hoeft te gaan."
Ja veelgeliefden, zo'n vrouw als deze Tineke Renkema, wie zij is en wat zij zegt, zo iemand,
zij, incorporeert, belichaamt voor mij een vertrouwen dat verder reikt dan de dood en dat de
dood achter zich laat. Jezus zelf is van dat vertrouwen voor ons, Zijn kerk, Hij is daarvan de
oergestalte, de hoeksteen. Maar je ziet in de het evangelie hoe Maria van Magdala en de
leerling van wie Jezus hield en houdt (vul je eigen naam daarbij maar gerust in); je ziet aan
hen hoe zij dat vertrouwen van Jezus als het ware overnemen en op hun eigen beurt óók
gaan incorporeren, belichamen. Jezus reikt hen dat vertrouwen vanaf de andere kant van de
dood als het ware gewoon aan. Vanuit de werkelijkheid, de omstandigheden en de plaats
waar Hij als verrezene zich nu bevindt wil Hij dat vertrouwen in ons blijven voeden. De prins
der apostelen Petrus was wel haantje..., já 'haantje' de voorste: Petrus kwam wel als eerste
bij het graf áán en ging er als eerste binnen, maar bij hém viel het kwartje nog niet
onmidddelijk. En dát mag dus ook. Als je zelf als gelovige een enigzins trage leerling bent,
dan kun je bij zo'n Petrus daarin misschien steun vinden. Voor mij geldt dat. Maar Petrus is
voor mij dan ook mijn grote naamgenoot, van wie ik mijn eigen naam, Pierre, héb. Bij Petrus
voel ik mij altijd enorm thuis.
En ik denk, veelgeliefden, om thuis-zijn, om thuis-raken, om thuis-komen gaat het. Maria,
Maggy en Tineke, Niek, Francesco en Peter, of hoe je ook maar heet, allemáál worden we
uitgenodigd om thuis te raken, om thuis te komen, om thuis te zijn bij God, aan déze én aan
de andere kant van de dood. Ik wens iedereen hier toe dat hij of zij in staat mag zijn om, op
eigen wijze, Jezus' Godsvertrouwen te incorporeren, om daar gestalte en gezicht aan te
geven. Ik wens u allen een Zalig en stralend Pasen. Amen.

Het bloed van Jezus

Geplaatst 27 mrt. 2015 11:50 door De Stadslamp Amsterdam   [ 27 mrt. 2015 11:52 bijgewerkt ]

Pinkstergemeente Amsterdam, gebouw Keerpunt. Buitenveldert. 1 maart 2015
Spreker: pastor Harry Zijlstra
Thema: Het bloed van Jezus
Bijbeltekst: Exodus 12:19-24, Mattheüs 26: 26-27, 1 Korinthiërs 5:7, Romeinen 3:23-25

LUISTER PREEK
(Om de preek te downloaden en later de beluisteren, klik met de rechtermuisknop op de link en kies in het menu wat open gaat op: link opslaan als..)

Jezus in de tempel

Geplaatst 12 jan. 2015 03:37 door De Stadslamp Amsterdam

Preek over Lucas 2: 21-40
gehouden in de Westerkerk op 28 december 2014
door ds. Jan Offringa

Jezus in de tempel

‘De Messias zien en dan sterven’. Dat is de variant van Simeon op het
ons bekende adagium: ‘Rome zien en dan sterven’. Het origineel schijnt
trouwens over een andere stad te gaan: ‘Napels zien en dan sterven’.
Maar ik kan u verzekeren dat Rome heel wat meer in huis heeft. Rome is
toch wel – na Amsterdam natuurlijk ‒ de mooiste stad van Europa.
Trouwens, ook deze Simeon woont in een bijzondere stad, in Jeruzalem.
Daar in de tempel begroet hij het kind Jezus met zijn ouders. En zoals
iemand op zijn sterfbed kan wachten tot ook het laatste kind afscheid
heeft genomen, zo is hiermee voor Simeon het leven voltooid. ‘Heer, laat
me nu maar in vrede heengaan’. Ook voor Lucas als evangelist is
daarmee de cirkel rond. Zijn geboorteverhaal eindigt zoals het begint:
met twee oude mensen. Aan het begin staan Zacharias en Elisabeth, die
op hoge leeftijd een kind krijgen, en aan het slot staan Simeon en Hanna
met hun profetieën. Op die manier krijgen verschillende generaties een
plek bij Lucas. Want ondertussen zijn er twee baby’s geboren, Johannes
de Doper en Jezus, en hebben we ook een stel jonge ouders ontmoet:
Jozef en Maria. Zo komen er drie generaties voorbij, en zijn ook beide
seksen volop betrokken in dit gebeuren. Ja, vrouwen spelen hier in het
evangelie minstens zo’n belangrijke rol als mannen. Kijk alleen maar
naar de hoofdrol, die is duidelijk voor Maria. Zij is een toonbeeld van
overgave en vertrouwen, zij zingt te midden van Zacharias en Simeon
het hoogste lied. Al krijgen we hier ook te horen dat er een zwaard door
haar ziel zal gaan. De weg die Jezus gaat zal diepe sporen trekken in
haar leven.

Opvallend is de joodse kleur van wat Lucas beschrijft. Alles wat gebeurt,
geschiedt volgens de Thora, de wet van de Heer. Op de achtste dag
wordt Jezus besneden, zoals elke joodse jongen. En rond de veertigste
dag komt Hij met zijn ouders naar de tempel, voor twee dingen tegelijk.
Het kind wordt toegewijd aan de Heer, zoals opgedragen wordt in het
boek Exodus. En voor de reinheid van zijn moeder – ook dat was destijds
van belang ‒ wordt een offer gebracht: twee duiven, zoals
voorgeschreven in het boek Leviticus. Rijken doen meer, zij offeren een
jonge ram, tezamen met één duif. Maar voor arme mensen zijn twee
duivenjongen voldoende. Een teken dat Jozef en Maria inderdaad tot de
eenvoudige, arme joden behoren. Beide zijn toegewijd aan God en leven
naar de Thora, net als Zacharias, net als Simeon. Zo laat Lucas op zijn
manier zien dat de komst van Jezus geen breuk betekent met het
jodendom, maar een vervolg. Het is zoiets als een nieuwe fase in de
geschiedenis, met een beslissende doorbraak naar alle volkeren. Wat
God dus ooit met Israël begon, dat beperkt zich niet langer tot dit volk
maar staat nu open voor alle mensen wereldwijd. De deur die binnen het
jodendom af en toe al op een kier stond, zwaait met Jezus wijd open
naar heel de mensheid. Jood en heiden, man en vrouw, jong en oud,
iedereen mag zich op gelijke wijze een kind van God weten. Die
boodschap klinkt door in het loflied van de oude Simeon: in Jezus zal
Israël stralen als nooit te voren, en tegelijk gaat er in hem een licht op
voor alle andere volken. Voor heel de wereld breekt dus een nieuwe
toekomst aan.

Lees deze preek hier verder 

Adieu God... welkom kerkverlater!

Geplaatst 3 dec. 2014 05:44 door De Stadslamp Amsterdam   [ 3 dec. 2014 05:46 bijgewerkt ]

VERKONDIGING op 23 november 2014, hoogfeest van Christus koning van het heelal, in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de
Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam,
door pastor Pierre Valkering

Gelezen: uit het boek van de profeet Ezechiël (34, 11-12.15-17), Psalm 23 (1-2a.2b-3.5-6), de eerste brief van de heilige
apostel Paulus aan christenen van Korinthe (15, 20-26.28) en uit het heilig evangelie volgens Mattheüs (25, 31-46).

"Ik zal omzien naar mijn schapen en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn
ten gevolge van mist en nevel. Ik zal mijn schapen weiden, ik zal ze laten rusten (...). Het
vermiste schaap ga ik zoeken, het verdwaalde breng ik terug, het gewonde verbind ik, het
zieke geef ik weer kracht en het gezonde en sterke blijf ik verzorgen. Ik zal ze laten weiden
zoals het behoort."
Aldus sprak, op dit hoogfeest van Christus koning van het heelal, in de eerste lezing de
profeet Ezechiël.
En afgelopen vrijdag waren de pastores van ons bisdom in Heiloo op uitnodiging van
bisschop Punt en zijn staf bijeen bij het heiligdom van Onze Lieve Vrouw ter Nood. Wij
werden daar toegesproken door en gingen in gesprek met de televisiepresentator en
programmamaker Tijs van den Brink. Voor de EO maakt hij onder andere het programma
Adieu God? Daarin interviewt hij meer of minder bekende Nederlanders die in hun leven
afscheid hebben genomen van het geloof in God en van de kerk. Waarom hebben zij dat
gedaan? Hoe kijken zij op God, geloof en kerk terug? En hoe staan ze nu in het leven? Heeft
het nog iets te maken met wat ze van geloof en kerk hebben meegekregen?

Dat was een interessante middag...

Tijs begon zijn voordacht aldus:

"Soms gaan mensen uit elkaar. Dat is meestal verdrietig. Ik voel me vandaag een beetje als
een vriend van een man die zijn vrouw heeft verlaten. U, de Rooms-Katholieke Kerk, bent in
dit beeld de verlaten vrouw. Mijn vriend, uw man, heeft u om verschillende redenen verlaten.
(...) (En) kennelijk wilt u van mij weten wat u kunt leren van het vertrek van uw man. Dat
maakt mij op voorhand hoopvol. Kennelijk vindt u het niet leuk dat uw man, of eigenlijk uw
voormalige parochianen/kerkgangers zijn vertrokken. En u bent niet alleen boos op hem of
haar, nee, u wilt echt weten hoe het met hem of haar gaat en waarom hij/zij is weggegaan.
Om te voorkomen dat er nog meer mannen en vrouwen weggaan. En misschien wel met een
klein beetje hoop dat de weggelopen man of vrouw ooit weer terugkomt."

"Wat ik (...) met u wil doen is de lessen die ik geleerd heb in de gesprekken die ik de
afgelopen jaren gevoerd heb met de ruim veertig kerkverlaters tegen u aanhouden. In de
hoop dat u er iets aan heeft."

Afgelopen september, vertelde Tijs van den Brink, was er in een flat in Diemen een
ontploffing. Er was een gaslek. Mensen stonden met z'n allen verbijsterd op straat. Er werd
onderdak voor hen geregeld en de oorzaak van de ontploffing werd gevonden en opgelost.
Maar toch wilde een deel van de mensen niet terug naar huis. Want: ze vertrouwden het niet
meer. Hun huis was hun huis niet meer. Iets dergelijks is er aan de hand met mensen die de
kerk hebben verlaten aldus Tijs: Ze vertrouwden dat huis, de kerk, niet meer... Waarom niet?

Hij onderscheidde vanuit zijn gesprekken met kerkverlaters drie voornaamste redenen die ik
nu graag met u wil doornemen:

"Allereerst" zei hij, "zijn daar (de) domme medegelovigen. (...) Zowel priesters/pastoors/
bisschoppen/dominees/ouderlingen als leken zeggen soms dingen die mensen zeer kunnen
kwetsen. Zaken die maken dat mensen zeggen: mij niet meer gezien. Als dit de kerk is, als
dit gelovigen zijn... Toen de moeder van de voetbalpresentator Harry Vermeegen op 52-
jarige leeftijd stierf had de pastoor het toch over God die goed is. En de seksuologe Goedele
Liekens zat vanaf haar twaalfde op een internaat. Daar werd ook Monopoly gespeeld. Tot
verontwaardiging van de jonge Goedele speelde één van de nonnen vals. De lessen die Tijs
van den Brink uit deze beide voorbeelden leerde waren deze: (1) "Als je als christen, katholiek
of protestant, vals speelt, dan kan dat leiden tot kerkverlating." Dus: "Gewoon niet meer
doen, valsspelen." En (2), in verband met die jong-gestorven moeder: Je kunt als kerk de
goede boodschap op een totaal verkeerd moment brengen. Want, natuurlijk, God is goed.
Dat is wat wij geloven. Maar... als jouw moeder sterft terwijl ze nog maar 52 is, dan wil je díe
boodschap niet horen. Dan wil je alleen maar horen: Dit is vreselijk. Het klopt niet. Het mag
niet. Dit is onrecht.

Dit was reden één van/voor de kerkverlating die Tijs van den Brink ontdekte: de domme
medegelovigen.

Reden twee: "Veel mensen zijn afgehaakt doordat ze gewoon niet meer uit de voeten
kunnen met God. (...) Mensen dachten dat God hen zou beschermen. Dat God hen zou
bewaren voor alle kwaad, dat God als een muur rondom hen zou zijn, dat God voor en
achter hen, naast hen en onder hen zou zijn." Maar ze kwamen van een kouwe kermis thuis.
Tijs gaf hierbij de voorbeelden van de vader van de presentator Jochem van Gelder die zo'n
beetje Gods rechterhand was, maar toch een herseninfarct kreeg. En Youp van 't Hek kon en
kan het lijden van mensen in de wereldoorlogen niet rijmen met God. Tijs zei hierover: Ja,
het is waar: "Wat er gebeurt in je leven is soms niet te rijmen met de goedheid van God waar
wij (...) hartstochtelijk in geloven." "Dit zijn moeilijke vragen die we (...) hier met elkaar niet
oplossen. Er wordt al eeuwen over nagedacht en we komen (er) niet echt verder (mee).
Misschien is dat ook niet erg, misschien hoort dit soort vragen bij het mysterie van het leven.
Maar dan is het wel belangrijk dat we dat af en toe expliciet tegen elkaar zeggen! Dat we
geloven dat God goed is, maar dat we dat natuurlijk lang niet altijd zien. En dat we God lang
niet altijd snappen. Ik heb geen idee waarom de moeder van Harry Vermeegen op 52-jarige
leeftijd overleed. (En) weten wij waarom God niet ingreep toen zijn volk werd uitgemoord in
de concentratiekampen? Ik weet het niet" aldus Tijs van den Brink. "(En) als u het wel weet
moet u het zegggen. Maar vermoedelijk weet u het ook niet. (Maar) ik denk dat het goed is
dat u dat dan ook af en toe zegt. (...) Doe niet alsof het simpel is. want dan haken mensen af.
Dan lekt het dak, om in de beeldspraak van Diemen te blijven."

Dit was de tweede reden voor de kerkverlating die Tijs noemde: niet meer met God uit de
voeten kunnen.

En dan tenslotte reden drie: "De regels van de kerk en dan met name op seksueel gebied."
De arabiste Petra Stienen vertelde in Adieu God? hoe ze werd gedwongen om het vormsel
te doen. En Marlies Dekkers vertelde dat de pastoor langs kwam om te zeggen dat er kinderen
moesten komen en dat de kerk vindt dat er "niks mag qua seks". Ten overstaan van
bisschop, hulpbisschop en de diocesane clerus zei Tijs van den Brink: "Wij - katholieken en
protestanten - zijn erin geslaagd seksualiteit tot een probleem te verheffen in plaats van een
gave van God. (...) Het beeld van de kerk is: daar zijn ze tegen seks." "Wat moeten we
daarmee? Ons als het gaat om de seksuele moraal maar gewoon aanpassen aan wat
'normaal' is in deze tijd? Dat geloof ik niet", aldus Tijs. "Maar we moeten ons tegelijkertijd
realiseren dat we leven in een tijd waarin de meeste mensen zich niet(s) laten gezeggen - en
al helemaal niet door de kerk. iedere poging om de seksuele moraal te veranderen door
vanaf de zijkant te roepen, zal falen en slechts hoon oproepen is mijn inschatting."

"De vraag die kerken en gelovigen zich moeten stellen is: hoe kunnen we iets voor mensen
betekenen, hoe kunnen we mensen dienen? Heersen over mensen - dat hebben we in het
verleden gedaan. (...) Goddank kan dat niet meer. (Maar) hoe dienen we (nu dan) mensen
die op zoek zijn naar zingeving, naar iets betekenen voor een ander, (mensen die) misschien 3
zelfs (op zoek zijn) naar God? Hoe dienen we die mensen, ook als ze andere opvattingen
hebben dan u over samenwonen, over hertrouwen, over homoseksualiteit - noem de hete
hangijzers maar op. Doen we dat door de regels strikt te handhaven, door tucht toe te
passen, door mensen te weren van communie en avondmaal?" "Ik zou daar zeer terughoudend
in zijn" zei Tijs van den Brink tegen bisschop, hulpbisschop en diocesane clerus, want:
"Wie bent u dat u iemand die zelf verlangt naar gemeenschap met God door brood en wijn,
daarvan weg te houden?"

"Ik geloof dat God een God van vrijheid is" zei Tijs. "Dwang, heersen, de baas spelen - het
past niet bij het geloof (...) Dienen, naast mensen staan, samen zoeken naar God en naar
elkaar, dat is de taak van een kerk, van een geloofsgemeenschap."

"Uw ex is klaar met domme uitspraken van u en de uwen. Uw ex is in sommige gevallen
klaar met God, in ieder geval met God die zegt dat hij liefde is maar niet voorkomt dat er
verschrikkelijke dingen gebeuren. Uw ex baalt van uw regels over seks. En uw ex wil dat u
niet meer over hem of haar heerst."

"Is uw ex daarmee totaal van God los? (...) Dat verschilt per persoon. (...) Youp van 't Hek
analyseerde dat zijn pleidooien voor meer hulp aan de Derde Wereld zijn ingegeven door zijn
katholieke jeugd. Goedele Liekens vertelde dat haar ambassadeurschap van Unicef een
rechtsreeks voortvloeisel is uit haar opvoeding. Ronald Plasterk vindt kerkdiensten nog altijd
prachtig. Jochem van Gelder is stiekem gaan bidden in een kapelletje toen zijn kind ziek
was. Harry Vermeegen hoopt stiekem dat zijn moeder vanuit de hemel meekijkt. Diederik
Stapel zou heel graag kunnen geloven. En Marga Bult vindt nog steeds rust in de kerk." "Er
zijn (dus) nog contacten, aanknopingspunten." "Als ik u was zou ik op zoek gaan naar wat u
voor de kerkverlater kunt betekenen." "Misschien kunt u, ik suggereer het maar" (Tijs van
den Brink) exitgesprekken gaan voeren met mensen die u verlieten. Wie weet helpt het, wie
weet raakt u weer in gesprek. Wie weet ontdekt u dat u nog dingen moet belijden aan de
kerkverlaters, of zij aan u."

"Hoe lang het duurt voor u het vertrouwen heeft teruggewonnen van de kerkverlaters en het
vertrouwen heeft versterkt van de mensen die er nog zijn (dat gaat dan over u; - want al die
vragen van de kerkverlaters, daar zitten u en ik natuurlijk ook mee); hoe lang het duurt tot we
dat vertrouwen hebben teruggewonnen dat weet ik niet" zei Tijs. Ik weet wel dat de flatbewoners
van de flat in Diemen, voorzover bekend, uiteindelijk allemaal weer in hun woning zijn
teruggekeerd." "Wat ik u wil meegeven is: probeer het eens. De mensen die de kerk vaarwel
zeggen niet zien als slechte mensen die verkeerde keuzes maken, maar als zielen die hun
huis kwijt zijn."

Tot zover, dierbare gasten en parochianen, de voordracht die Tijs van den Brink afgelopen
vrijdag hield voor de pastores van ons bisdom en die ik hier wel zeer royaal heb
weergegeven. Waarom? Omdat ik ervan overtuigd ben dat waarover hij sprak alles te maken
heeft met het zoeken van het vermiste schaap, het terugbrengen van het verdwaalde, het
verbinden van het gewonde, het kracht geven aan het zieke, het verzorgen van het gezonde
en sterke en het laten weiden zoals het behoort waarover Ezechiël sprak. En ook alles met
te eten geven aan de hongerige, het te drinken geven aan de dorstige, het opnemen van de
vreemdeling, het kleden van de naakte, het bezoeken van de zieke en de gevangene
waarover Jezus vandaag sprak. Mogen we er op eigen wijze allemaal iets van waarmaken
en iets mee doen. Amen.

1-10 of 73