De Geest leert vergeven

Geplaatst 14 jun. 2010 03:42 door De Stadslamp Amsterdam
Eerste Pinksterdag, 23 mei, Oude Lutherse Kerk. Marieke Brouwer.

Toen lag ze daar, op de buik van haar moeder, nat en glibberig en stil. De vader en de vroedvrouw hielden hun adem. Het is zo’n ogenblik dat een eeuwigheid lijkt te duren. De pasgeborene maaide met haar armpjes en als een drenkeling die boven water komt hapte ze naar lucht. Een siddering voer door het kleine lijfje toen de eerste adem in haar longetjes schoot.

Een huivering doortrekt je als je getuige bent van dat ademloze moment: het is alsof Gods adem over het kind zweeft en door de neus en mondje van het kind bezit van haar neemt. Een wonder voltrekt zich voor je ogen, je staat er bij en kijkt ernaar. En terwijl de kleine begint te huilen herademen de omstanders Ze ademt, ze leeft!

Zo overvalt je ook de huiver als je aanwezig bent bij een stervende die de laatste adem uitblaast. De laatste adem is een al net zo groot mysterie als de eerste. Ook dan lijkt het vertrek vervult van een aanwezigheid, van de Eeuwige zelf die weer meeneemt wat hij eerst gaf, de adem.
En nu die ontbreekt, wordt het warme lichaam een lijk, een levenloze huls. De glinstering is uit de ogen verdwenen, de mond wordt bleek, de ledematen verstijven, de levensgeest is met de adem van de mens verdwenen.

Zoals er twee Pinksterverhalen zijn, zo zijn er ook twee scheppingsverhalen. In het tweede scheppingsverhaal wordt de mens als laatste geschapen. God nam aarde, vermengde dat met water en boetseerde nog een wezen, de mens. Het zag er mooi uit, alles zat er op en eraan, maar het leek wel een standbeeld. De ogen glinsterden niet, de mond was bleek, niets bewoog. Er zat geen leven in. ‘De Eeuwige en hij haalde diep adem en blies de mens zijn adem in door de neusgaten van. Een siddering voer door het mensenlichaam, de ogen gingen ogen en begonnen te glanzen, de mond werd warm en rood en begon te lachen, de huid kreeg kleur en van vreugde bewogen de armen en benen zodat de mens begon te dansen. En de Eeuwige lachte verrukt mee en zag dat het goed was.

Toen Johannes zijn evangelie schreef, zoveel later dan de vertellers Marcus, Lucas en Mattheus bedacht hij dat hij het wat anders wilde doen dan zij. Leggen de andere evangelisten Pasen en Pinksteren in de tijd uit elkaar, met vijftig dagen ertussen, zo liet Johannes Pasen en Pinksteren op één dag vallen. Hij laat zijn verhaal rijmen met Genesis, met het allereerste begin, toen de Geest van God over de wateren zweefde en toen de mens de levensadem kreeg ingeblazen. Want hij dacht: wij waren als doden nadat Jezus gestorven was. Onze ogen waren dof, onze gezichten bleek. We waren als doden, we bewogen niet, we spraken niet. Verstard waren we, van verbijstering en ook van angst, we waren als de dood, want wie weet moesten ze ook ons hebben, aanhangers van Jezus. Ramen en deuren hielden we angstvallig dicht, zo zaten we in het schemerduister. We waren radeloos, wisten niet hoe het verder moest.

En toen, plotseling, die geliefde gestalte in ons midden, door dichte ramen en deuren heen die bekende stem: ‘vrede zij u! Zoals de vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit ‘Ontvang de Heilige Geest’. Hij blies ons nieuw leven in, we ademden op! We ontvingen de Geest. We kwamen in beweging, het begon weer te stromen in ons, we gooiden de ramen en de deuren open, gingen de straat op, dorpen en steden langs en we vertelden het aan iedereen die het horen wilde: goed nieuws. God is goed, er is vrede, er is liefde, er is vergeving.

En gemeente, wat zo opvallend is, is dat in een adem met het krijgen van de Geest de vergeving van zonden genoemd wordt. Dat wekt het vermoeden dat vergeving iets is dat we uit onszelf niet kunnen, maar dat daar de Geest aan te pas moet komen.

Wat is vergeving eigenlijk? Je kunt het wel aanvoelen, maar het is nog helemaal niet zo makkelijk om te beschrijven. Het is gemakkelijker om te zeggen wat vergeving niet is. Vergiffenis is niet: goedpraten van wat er gebeurd is. Het is niet hetzelfde als vergeten, het is ook niet: bagatelliseren, doen alsof het niet gebeurd is, het is niet haat en wrok inslikken, niet verdringen, niet: de lieve vrede bewaren, is niet doen alsof het geen pijn doet.

Vergeven is de wrok, de haat jegens iemand opgeven en goedheid en compassie laten winnen.
Vergeven is opgeven, loslaten dat wat je liefde blokkeert, wat jezelf en de ander de adem en het leven beneemt.

Er komt heel wat kijken bij vergeving. In de joodse traditie kun je pas iemand vergeven als hij berouw toont over het onrecht of de pijn die hij of zij je heeft aangedaan. Als de ander iets probeert goed te maken van wat hij gedaan heeft, je om vergeving vraagt, dan kun je op het punt aankomen dat je de ander vergeving schenkt, dat je de ander niet langer vastpint en gevangen houdt in de schuld die hij op zich geladen heeft. Dan schenk je de ander de mogelijkheid om op te ademen verder te gaan met zijn leven, een nieuw begin te maken.

Maar vaker zal het gebeuren dat ons kwaad aangedaan wordt zon­der dat de dader ooit om vergeving komt vragen of berouw toont: de junk die je het mes op de keel zet voor een paar tientjes zie je nooit meer terug, de man die doorreed nadat hij je kind geschept heeft, ook niet, degene die je seksueel misbruikte en dat ontkent, de wreedheden, de oorlogsmisdaden waar geen enkel berouw over was: moet er dan vergeving zijn, als er niet eens spijt is? Er zijn dingen die te erg zijn, dingen die onvergefelijk zijn in al hun verschrikking. De pijn, de haat, de wrok, ze zijn onoverkomelijk.

Maar wie in haat en de wrok blijft hangen betaalt daar emotioneel, geestelijke en vaak lichamelijk een hoge prijs voor. Het kan je ziek maken; het maakt je in ieder geval onvrij. Wie de haat en wraakzucht jegens een ander niet op kan geven zit aan de dader vast en blijft de gevangene en slachtoffer van de daden van een ander. De verbittering verziekt en vergalt je leven, blokkeert je om opnieuw, en anders in het leven te staan. Je leeft wel, je ademt wel, maar het is geen leven.
Vergeving is niet alleen voor het leven van de dader van het groot belang, maar het is vooral van levensbelang voor jezelf. Vergeven, het loslaten van woede en wrok, het doorbreken van de ban van haat, doe je het meest voor jezelf.

Niet dan na een moeizaan en uiterst pijnlijk proces kunnen wij daartoe komen. Er gaat soms een lange lijdensweg aan vooraf waarin je door de angst, de razernij, de vernedering, de pijn moet kruipen, millimeter voor millimeter. Dan kan er ruimte ontstaan waarin vergeving mogelijk wordt:

Zo schreef iemand aan haar vader: ‘je hebt me beschadigd, meer dan ik je zeggen kan en meer dan jij wilt weten. Maar ik ben het langzaam gaan begrijpen, hoe je de gevangene was van je eigen verleden. Ook jij werd mishandeld, ik weet hoe je je vader haatte die niet wist wat liefde was. Ook jij bent veel tekort gekomen, ook jij bent beschadigd, een slachtoffer. Ik wil dat wat gebeurd is niet goedpraten. Maar ik begrijp het nu beter. Ik kan nu ook jouw pijn en onmacht zien.’ Je bent meer dan je brute mishandeling. Je bent meer dan een beul. Ik wil ook de goede kanten van je zien. Ik wil mijn pijn en angst loslaten en verder gaan.’ Dat is vergeving.

Gemeente, wij mensen doen elkaar pijn, soms zijn we ons daarvan bewust, soms doen we elkaar pijn zonder het te weten. We doen elkaar pijn en soms bekennen we schuld, hebben we spijt en vragen we om vergeving, maar veel vaker is dat niet het geval.
Het leven is vol van deze pijn; een vriendin die achter je rug over je roddelt, een baas die je ten onrechte ontslaat, een partner die ontrouw is en vreemdgaat, een alcoholische vader die je sloeg, een moeder die je emotioneel verwaarloosde, de lijst is oneindig. Er zijn evenzovele redenen om aan je boosheid en je pijn vast te houden. Maar dat is geen leven.

Hoe komen we tot vergeving? Hoe laten we de gekwetstheid en wrok los, hoe geven we die op?
Dat, zo lijkt Johannes te zeggen, dat kan alleen met behulp van de heilige Geest, de geest die groter is dan onze eigen geest, ons eigen ik. Uit onszelf redden we dat niet. Als we werkelijk willen vergeven, wraak en wrok los willen laten om de ander en om onszelf, als we niet langer slachtoffer en gevangene willen zijn van de dader, maar willen leven vanuit liefde, opnieuw en voluit, bevrijd en verlost, dan is er Gods Geest, de Trooster, de ondersteuner.
Zij is het, de Stille Geest die in ons zal werken,
ons verharde hart zacht zal maken,
zij geeft ons inzichten die wij niet hadden kunnen bedenken,
zij zal onze haat zal omvormen tot begrip,
zij heelt onze wonden,
zachtjes duwt en masseert zij onze ziel zodat wij langzaam loslaten wat ons de adem beneemt.
Haar geheime gloed zal onze gekwetstheid zal zij omsmeden tot compassie.
Zij laat liefde stromen waar verstarring is,
zij maakt het onmogelijke mogelijk,
zij schenkt vergeving waar geen vergeving denkbaar was.
Zij maakt levend wat dood was.
Christus blaast over ons, geeft ons zijn adem, zijn geest, zijn leven. Op dat wij leven uit en met vergeving. Zonder vergeving is het geen leven. Daar waar vergeving is, is leven, is liefde. Daar ademt de Heilige Geest van God.

Amen.
Comments