Eén met de Goede Herder

Geplaatst 8 mei 2010 05:49 door De Stadslamp Amsterdam   [ 8 mei 2010 05:59 bijgewerkt ]
25 april 2010. Viering: 4e zondag van Pasen. RK Lucasparochie Osdorp, Pastor Colm Dekker.
Lezingen: Handelingen 13, 14.43-52, Johannes 10, 27-30

'Ik en de Vader, wij zijn één.' Dat is nogal een uitspraak van Jezus, en je kunt je voorstellen dat andere joden hier aanstoot aan nemen. Het lijkt er op alsof Jezus zichzelf hiermee gelijk stelt aan God, de Enige, de Eeuwige, de Bevrijder en Herder van Israël, en dat heet behalve arrogantie ook godslastering.

Christenen hebben deze uitspraak wel verstaan alsof Jezus hiermee zegt dat Hij God is, zoals de Vader dat is, en zoals ze de geloofsbelijdenis verstaan die dan ook zegt dat Jezus is 'één in wezen met de Vader'. Je zou zelfs kunnen denken dat dit een reden is voor de breuk die is ontstaan tussen joden en christenen. Zelf ben ik geneigd om deze uitspraak van Jezus in deze context te verstaan zoals Jezus het letterlijk zegt. Dat lijkt mij stevig genoeg. Hij zegt namelijk: 'Ik en de Vader, wij zijn één.' Hij zegt niet: Wij zijn hetzelfde, we zijn één en dezelfde persoon, of ik ben aan Hem gelijk, maar: Wij zijn één. Als een stel tegen mij zou zeggen: Wij zijn één, ben ik ook niet geneigd om te denken dat ze hetzelfde zijn. Nee, ze zijn twee verschillende mensen, maar op dit onderwerp of in hun relatie zijn zij het helemaal met elkaar eens, spreken en handelen zij met één mond, zoals een kabinet in ons land hoort te doen. Volgens mij zegt Jezus hier over zichzelf en God die hij zijn Vader noemt, dat zij één zijn, dat wil zeggen dat ze zowel in hun relatie één zijn, volledig op hetzelfde spoor zitten, dat er geen licht tussen deze twee zit, dat je geen wig tussen hen in kunt drijven, als ook dat ze op het onderwerp waar het nu over gaat, volledig één zijn. Want waar gaat het nu over? Het gaat over de relatie met die mensen voor wie zij zich beiden verantwoordelijk voelen, van wie ze houden met heel hun hart en ziel. Jezus gebruikt hiervoor het voor de joden zeer bekende beeld van de herder met zijn schapen, een beeld dat zij en wij kennen uit de allerbekendste Psalm 23: De HEER is mijn herder, het zal mij aan niets ontbreken. God is de herder van Israël, Degene die zijn volk heeft bevrijd uit Egypte en gebracht naar een land, een bestaan van vrijheid, waar zij alles vinden wat zij nodig hebben om goed te kunnen leven, waar Hij hen niet aan hun lot overlaat maar ze trouw blijft begeleiden, ook in de moeilijke tijden van oorlog, en ballingschap en onderdrukking, onrecht van binnenuit en van buitenaf, de eeuwen door. Jezus zegt nu in zijn tijd, waarin hij optreedt en mensen met raad en daad aanspoort om te leven naar Gods koninkrijk, naar eeuwig leven, leven zoals God het heeft bedoeld, dat hij zich verantwoordelijk voelt voor zijn volgelingen, wie zich op deze weg bij hem aansluit, toen en nu en in de toekomst, voor joden en niet-joden, voor al zijn volgelingen. In deze zin is hij één met de Vader, de Herder van Israël, zozeer dat hij kan zeggen: IK BEN de goede herder. Volgens mij zegt hij hiermee: Mijn Vader, God, ís de goede herder, en ik deel in deze, zijn liefde en zorg voor jullie allen.

Jezus zegt er zelfs bij: Ik laat geen van hen verloren gaan. Natuurlijk kunnen we daarvan zeggen: Hoezo, geen van hen verloren gaan? Gaan er niet dagelijks mensen verloren? Denk maar aan alle ellende in de wereld, ja, denk zelfs maar aan de ellende in en vanuit de kerk, door mensen die in zijn naam zouden moeten optreden, die zelf goede herders zouden moeten zijn. Denk alleen maar aan deze week waarin in ons omringende landen bisschoppen moesten aftreden omdat zij zich hadden vergrepen aan mensen, aan jongeren, aan hun zorgen toevertrouwd. Hoezo laat God, laat Jezus er geen verloren gaan? Ik kan en mag en wil dit kwaad niet bagatelliseren, wegstoppen of verzwijgen. Alleen probeer ik mij vast te houden aan iets wat het geloof ons leert, juist ook in de tijd van Pasen. God kan uit iets slechts iets goeds geboren laten worden. Zouden wij als kerk van al dit kwaad dat is geschied, om te beginnen kunnen leren hoe de aandacht en zorg van Jezus, van God áltijd uitgaat naar de slachtoffers, en dat dit dus ook bij ons zo hoort te zijn: het gaat allereerst om hen en niet om de goede naam van de kerk die kwaad wordt aangedaan, hoezeer dit ook waar is. En zouden wij als kerk opnieuw kunnen leren om die blijde boodschap van de goede herder en van eeuwig leven weer op een betrouwbare en geloofwaardige manier met vreugde door te geven? Dan kan er ook uit dit grote kwaad, nog iets goeds voortkomen.

God kan uit iets slechts iets goeds geboren laten worden, zelfs uit de schijnbaar zinloze dood van een goed mens, naar onze ideeën veel te vroeg gestorven. Natuurlijk doel ik in deze Paastijd hiermee op Jezus, maar zeker mogen wij hier ook anderen denken die wij in onze eigen kring moeten missen. De Schrift nodigt ons niet uit om denken of te zeggen dat het goed is dat hij zo jong gestorven is, maar wel om te zien dat het geen teken is van Gods ontrouw, dat God hem zou hebben laten vallen, maar veeleer een teken dat God hem zelfs in de dood en over de dood heen trouw is gebleven en hem heeft doen opstaan tot nieuw leven, en ook ons opnieuw tot leven wil brengen en ons uitnodigt om te zien en te geloven hoe hij voortleeft in ons.

De uitnodiging die vandaag in de lezingen klinkt is om met nieuwe oren te durven luisteren naar Jezus die ons zegt dat hij één is met de Vader, dat hij ons eeuwig leven, dat wil zeggen: leven vervuld van God en Gods liefde te bieden heeft, als wij hem werkelijk toelaten in ons leven als we vandaag naar de Schrift durven luisteren en ons leven willen laten raken en vernieuwen. En niet als in de eerste lezing luisteren zoals degenen die Paulus en Barnabas horen, maar niet willen dat het hun leven op z'n kop mag zetten. Ze hebben hun grenzen al bepaald en daarvoor de hakken in het zand gezet. Wie zo luistert, mag niet verbaasd zijn dat het leven niet verandert, niet beter wordt. We willen immers zelf niet veranderen. De wereld moet wel beter worden, en voor mijn leven heb ik misschien nog wel een paar dromen, en zeker een aantal klachten, maar alles moet en mag alleen maar onder mijn voorwaarden.

Laten wij dankbaar zijn dat God ons nooit afschrijft, maar zelfs als wij hem afwijzen zoals vandaag de toehoorders in de synagoge van Antiochië in Pisidië daarin juist een aanleiding ziet om meer mensen uit te nodigen, zonder de eerste af te wijzen. Zo worden de joden niet afgewezen als uitverkoren volk, maar de andere volken (heidenen), wij dus worden ingesloten in de uitnodiging om te luisteren naar zijn stem en hem te volgen. Laten wij hem dan volgen, nu zijn stem ons roept en uitnodigt op zijn weg van liefde, van trouw aan mensen, vooral aan de armsten, de slachtoffers, de treurenden, degenen die geen uitweg meer zien, om met onze vriendschap en onze trouw te getuigen van Gods liefde.

Comments