Hoe sta ik erop?

Geplaatst 1 nov. 2010 05:11 door De Stadslamp Amsterdam   [ 1 nov. 2010 05:23 bijgewerkt ]
 
VERKONDIGING op 24 oktober 2010, de dertigste zondag door het jaar (C), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam (Obrechtkerk), door pastor Pierre Valkering.

Gelezen: Uit het boek Jezus Sirach (35, 12-14.16-18), Psalm 34 (2-3.17-19.23), de tweede brief aan Timoteüs (4, 6-8.16-18) en het Lucas-evangelie (18, 9-14).

Vandaag wordt Sven vijftien jaar. Hij is de zoon van mijn jongste zus Carola en haar man Martin. Ze hebben ook een dochter, Nadège. Gisteravond werd de verjaardag gevierd. Mijn zwager liet tijdens het feestje vanaf de lap-top op de flat-screen boven de haard in een doorlopende voorstelling allerlei familie-foto's zien. Met name zagen we allerlei beelden van ski-vakanties van het gelukkige gezin, maar ook van een etentje van onze familie in het Okura-hotel zeven jaar geleden en van het vijftigjarig huwelijksfeest van mijn ouders verleden jaar. Familiefoto's zoals iedereen ze kent. Mensen, díerbare mensen en ook mensen die je minder goed kent staan er op. Gezichten: ontspannen, lachend, ernstig, zuur, gespannen, verveeld ... op allerlei manieren komen ze in beeld. Je ziet jezelf en je ziet de anderen. Dat zijn wij. Dat ben ik.

Uit de tijd waarin de bijbel is ontstaan hebben we geen foto's. Uit die tijd zijn ons slechts woorden overgeleverd. Maar op básis van die woorden maken we in ons hoofd onze eígen beelden. Als we aandachtig luisteren naar de woorden terwijl ze worden voorgelezen, dan gebeurt dat vanzelf, dan komen die beelden, sterk of minder sterk, spontaan in ons op. We hoeven daar geen speciale moeite voor te doen.

De gestaltes en de gezichten zoals die zich vandaag aan ons geestesoog voordoen, zijn die van mensen die zich bevinden in het heiligdom, in de tempel. Getransponeerd naar onze omstandigheden is dat dus: de kerk. Het gaat vandaag, eigenlijk in alle drie de schriftlezingen, om mensen zoals zij zich bewegen, zich gedragen, zich voordoen, om wat ze laten zien ... in de kerk. Het gaat over kerkgangers, over ons dus. Ook vandaag zit de heilige Schrift en zitten met name de twee Jezussen, Jezus Sirach in de eerste lezing en Jezus van Nazareth in de evangelielezing; ook vandaag zit de Schrift ons met en in hen, die twee Jezussen, weer dicht op de huid.

 

Jezus, die naam betekent, ik heb het al vaak gezegd, maar het kan niet vaak genóeg herhaald worden, de betekenis van die náám kan niet vaak genoeg herhaald worden, die naam Jezus betekent namelijk "God redt". "De levende God (is) een redder voor alle mensen, in het bijzonder voor de gelovigen" zo klinkt het vandaag ook in de tweede lezing, uit de eerste brief van Paulus aan Timoteüs. Iedereen, ieder mens, heeft met God te maken, of hij, of zij dat nu weet of niet, of hij of zij dat nu léuk vindt en wíl of niet. Ieder mens heeft met God te maken. Of misschien kan ik beter zeggen: Gód wil er zijn, wil beschikbaar zijn, in reddende zin, voor ieder mens. Veel mensen, de meeste wellicht, in het tegenwoordige Nederland en Amsterdam; de meeste mensen geloven dat niet, ze weten het niet of ze willen het niet weten, nee, ze vinden dat nadrukkelijk níet leuk als wij dat beweren. Ze willen het niet. En toch is het, binnen en vanuit een gelovig perspectief wél zo. Gelóvige mensen, christenen in elk geval, mensen die trachten te geloven, zij geloven het wél. Zij willen dat. Ze doen er hun best voor, want, geef toe, een eenvoudige zaak is het natuurlijk níet. Gelovige mensen "hebben wat" met God. Ze "willen wat" met God. En Hij, God, is er dan ook zéker voor hen. "De levende God (is) een redder voor alle mensen, in het bijzonder voor de gelovigen" schrijft Paulus aan Timoteüs - en aan ons vandaag. Gelovige mensen gaan naar het heiligdom, ze gaan naar de tempel, ze gaan naar de kerk. En wat doen ze daar dan? In de schriftlezingen van vandaag gaat het met name om twee "zaken" in dit verband: het gaat om "offeren" en om bidden. Dat is waarvoor men naar het heiligdom gaat.

Ten eerste: wat is "offeren"? Ik denk, heel eenvoudig, dat is iets wat van jou is loslaten en weggeven. Offeren, dat is, in optima forma, jezélf geven. Denk maar aan Jezus. Offeren dat is jezelf géven. Jezus Sirach (de eerste lezing) legt er zwaar de nadruk op, dat dat geven liefst gebeurt met een blij gezicht. In de regels die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste lezing van vandaag luidt het: "Verheerlijk de Heer met een blij gezicht en onttrek niets aan de eerstelingen die je moet geven; toon bij al je gaven een vrolijk gezicht en heilig de tienden met vreugde. Geef aan de Allerhoogste naar wat Hij geschonken heeft; geef met een blij gezicht en naar je vermogen." Het staat er, dierbare gasten en parochianen, dus maar liefst drie maal: een blij, een vrolijk gezicht. Als jij hierheen komt om te geven, om jezelf te geven, zorg er dan voor dat je met een vrolijk, een blij gezicht op de foto staat.

Maar, zult u misschien zeggen: ik ben nu eenmaal niet zo'n lachebekje. En: een blij gezicht, dat kun je toch niet forceren? Dat wordt dan een verwrongen gezicht, een grimas. Blijheid, dat is er of dat is er niet. Je bent het, blij, of je bent het niet. Je hebt 't of je hebt 't niet. Blijheid, dat moet toch uit je hart komen? Inderdaad veelgeliefden, zo is het. Je kunt het niet faken. Je bent wie je bent. Hoe word je een blij mens derhalve, iemand met een vrij en vrolijk hart? Ik denk, in het verlengde van wat Jezus Sirach ons zegt; ik denk: je wordt dat, blij, precies dóór te geven, dóór jezelf te géven en door je daarbij geen zorgen te maken of je er wel iets voor terugkrijgt en hoevéél je er eventueel voor terugkrijgt, of wat je investeert door weg te geven zich wel terugbetaalt. Die vraag kun je maar beter loslaten. Daar kun je maar beter jezelf geen zorgen om maken - terwijl Jezus Sirach ons wél verzekert: "Hij is een Heer die beloont; Hij geeft het je zevenvoudig terug." En zo is trouwens ook onze ervaring: Wie goed doet, goed ontmoet. Zo werkt het nu eenmaal. Maar, paradoxaal genoeg, alléén voor mensen die niet-berekenend zijn, alleen voor mensen die met de resultaten van hun "goed-doen" totaal niet bezig zijn.

Dat was foto één: die van degene die offert. Zorg dat je blij op de foto staat terwijl je offert. Hebben we nog foto twee: de foto waar de bidder op staat. Daarvoor moeten we naar het evangelie. Daar krijgen we eigenlijk twee foto's aangereikt door Jezus. Op de ene staat een farizeeër. Dat is een soort beroepsgelovige. Meer zo iemand uit de sfeer waar ik als priester mij in bevind. Dat is dus duidelijk: in de gevarenzône. We weten: Jezus is daar super-kritisch op, op dat soort types. Hoe staat híj, hoe staat de farizeeër op de foto? Nou, onaantrekkelijk! Zelfgenoegzaam. Verwaand. Hij is iemand die zich de aansporing van Paulus in de tweede lezing: "oefen u in een godsdienstig leven"; "ga er geheel in op"; hij is iemand die zich die aansporing zéér heeft aangetrokken. En nu heeft hij het helemaal voor elkaar. Hij heeft zijn godsdienstig leven helemaal op orde. En dát komt hij in het heiligdom, in de tempel, in de kerk beléven en showen - aan de mensen en aan God. De modelgelovige. De gelovige die zó gelovig is dat hij of zij God eigenlijk niet eens meer nodig heeft. Hij, zij is eigenlijk zelf een soort god geworden voor zichzelf. Hij, zij gelooft vooral erg en uitsluitend in zichzelf. God is voor hem of haar een soort verlengstuk van zijn of haar ego geworden.

Rest ons nog één foto, de laatste, die waar de tollenaar op staat, een collaborateur, een afperser in de ogen van de mensen in die dagen. Een onfrisse figuur, een sjoemelaar. Hij staat er heel timide bij, in het heiligdom. En zo staat hij ook op de foto. Het heiligdom, de kerk, de aanwezigheid van God, maakt dat hij zich heel erg bewust wordt van zijn onvolkomenheid, van zijn zwakke kanten, van zijn fouten, van zijn zonden. "O God, genade voor een arme zondaar!" kermt hij. En Jezus zegt: God geeft hem die. God vergeeft hem. Maar die ander, de farizeeër vergeeft God niet. Want die beseft niet eens waar hij die vergeving van God voor nodig zou hebben. En hoe zit dat met ons? Hoe zit dat met u, met jou, met mij? Realiseren wij ons waarvoor wij die vergeving van God werkelijk nódig hebben in ons leven? Dat is iets om over na te denken. Als zoiets er bij jou niet is, als jij niet weet, als jij géén idee hebt, waarvoor jij die vergeving van God werkelijk nódig zou hebben, dan heeft het eigenlijk geen zin voor jou om naar de kerk te komen ...

Drie foto's: een blij gezicht, een zelfgenoegzaam gezicht en een timide, een bedremmeld gezicht. Drie gezichten. Drie foto's. En hoe sta jij er op? Welk gezicht laat jij zien? Amen.

Comments