Vasten

Geplaatst 18 mrt. 2010 03:20 door De Stadslamp Amsterdam   [ 24 mrt. 2010 03:41 bijgewerkt ]
21 februari 2010, Eerste zondag in de lijdenstijd, Oude Lutherse Kerk, ds. Marieke Brouwer.
Gelezen: Deuteronomium 5: 6-21, Lucas 4: 1 tm 13.


Gemeente, vandaag is de eerste zondag in de vastentijd. Na de vrolijke uitbundigheid van het carnaval, waarin de mensen zich met permissie konden uitleven in drank, dans, verkleedpartijen en wat al niet is het nu tijd voor versobering en inkeer. De vastentijd zet in met Aswoensdag en die Aswoensdag was de afgelopen woensdag.

Sommigen van ons haalden bij de overburen in de Krijtberg een askruisje. De as is afkomstig van de dorre palmpasentakjes van het afgelopen jaar die verbrand worden, as teken van boete en berouw. ‘Bedenk mens, dat je stof bent en dat je tot stof zult wederkeren’ waren de woorden die tegen ons gesproken werden. Confronterende woorden vooral als ze gepaard gaan met een kruis van as, van stof dat op je voorhoofd getekend wordt. Teken van je vergankelijkheid. Het is merkwaardig na zo’n sobere viering met het askruisje op je hoofd de kerk te verlaten en terecht te komen in de het lawaai en de drukte van het Koningsplein, waar mensen nog haastig wat boodschappen doen, de trams ratelen, winkelend publiek langs de etalages loopt. En dan de kerkgangers die de Krijtberg hebben verlaten, als een aantal zonderlingen daartussen, met viezige vegen op hun voorhoofd.
Stof en as.
Ze herinneren ons aan onze eindigheid en sterfelijkheid en doen een klemmend beroep op ons: vergeet niet dat je sterfelijk bent; er komt een eind aan ons leven en niemand weet wanneer. Je kunt wel voor het vaderland weg leven, maar voor dat je het weet is je leven voorbij en God verhoede dat je op het eind tot de slotsom komt dat je aan de echte wezenlijk dingen van het leven voorbij geleefd hebt, of dat je er nooit aan toe gekomen bent, nooit de dieptelagen van je bestaan hebt toegelaten. En dat je God uit het oog verloren bent.

Om dat te voorkomen is er de vastentijd, de veertigdagen tijd. Tijd van bezinning en inkeer.Veertig dagen, veertig om dat het volk Israël veertig dagen in de woestijn doorbracht. Veertig omdat Mozes en Elia veertig dagen in de woestijn rondzwierven en vastten. In de lijn van deze grote profeten vastte ook Jezus gedurende veertig dagen.

Vasten, geen voedsel tot je nemen, is een praktijk die in alle religies, door alle tijden heen, voorkomt. Blijkbaar is een algemene ervaring dat vasten heilzaam is voor lichaam en ziel. Wat het lichaam betreft: vasten blijkt een reinigend en ontgiftend effect te hebben op het lijf en versterkt de weerstand en bevordert de gezondheid. Maar vasten heeft ook een groot effect op onze geest.
Johannes Climacus, één van de woestijnvaders zegt over vasten: “het damt de stroom van de rede in, stilt de onrust, het neemt de gehoorzaamheid onder zijn hoede, het sust de sluimer, geneest het lijf, bevredigt de ziel.’

Vasten doet dus niet alleen iets met je lichaam, maar vooral met je geest. In het begin is vasten vaak moeilijk. Je doorbreekt daarmee je gewoonten ( en gewoonten laten zich met moeite breken) en met vasten doorbreekt je de wel meest elementaire en dagelijkse gewoonte: namelijk: eten. In de praktijk blijkt nogal eens dat terwijl je vast, allerlei ongenoegen en onlustgevoelens die we vaak met eten of drinken wegwerken, de kop opsteken. Alles wat in je leeft aan angsten, wensen, verlangens, begeerten, verdriet of boosheid komen boven drijven nu ze niet meer door troost eten of genotmiddelen worden weggewerkt of onderdrukt. Vasten ontdekt je aan jezelf wat dat betreft en dat is niet altijd prettig. In een later stadium wordt je geest helder, lucide, je zintuigen worden scherper en zoals Tertullianus, een andere kerkvader schrijft: ‘het vasten maakt dat een mens deel krijgt aan verborgen dingen’. Het brengt ons in de nabijheid van God en laat ons God en zijn geheimenissen helderder zien.

Dat is de reden dat Jezus de woestijn introk, in het grote niets, in de grote leegte, zonder te eten. Je komt God niet tegen zonder jezelf tegen te komen, en dat geldt ook voor Jezus. Daar, door niets meer door afgeleid, zich concentrerend op wat in hem leefde, in de diepten van zijn ziel, ontmoet hij de duivel. Zijn schaduwkant, zijn tegenspeler, zeg maar, de tegenstem laat zich niet meer onderdrukken en spreekt tot hem. Juist in de woestijn, in de leegte zijn er alleen maar die existentiële vragen waar je op teruggeworpen wordt: wie ben ik, wat is mijn roeping, mijn bestemming, wat geloof ik, wat drijft mij, waarvan leef ik werkelijk, wat doet er ten diepste toe, wat is ruis. En God, is er een God, of is het allemaal verbeelding, illusie? De duivel stelt vragen bij alles wat Jezus tot dan toe heilig en onaantastbaar achtte.

Een stem in hem zegt: ‘maak van deze steen brood. Kijk naar de armen in de wereld, de honger die geleden wordt. Je wilt toch de mensen dienen, dien je ze niet het meest door de meest elementaire behoefte te bevredigen: zorgen dat ze genoeg te eten hebben, door de honger naar een beetje veiligheid en bestaanszekerheid te stillen, in materiele behoeften voorzien? Dat is toch wat de kwetsbare en behoeftige mensen nodig hebben, wat ze verlangen van het leven, een volle maag en een dak boven hun hoofd en veiligheid? Een edel streven, een nobel streven, zou je zeggen en toch ervaart Jezus dit als een duivelse verzoeking. Mens zijn betekent meer dan levenslang je behoeften te bevredigen en overleven. De mens is geen dier die daarmee tevreden is en niet beter weet. De mens is een geestelijk wezen, geschapen naar Gods beeld en tot zijn gelijkenis. De grootste honger van de mens is de leegte en de honger van zijn ziel. Het is die honger die Jezus wil stillen, de honger naar God, naar een waarachtig en overvloedig leven, een leven dat beantwoord aan zijn goddelijke bestemming. Nee, nee, de mens leeft niet van brood alleen.

Dan volg er een tweede verzoeking waar Jezus zich mee moet zien te verhouden: de verzoeking van de macht, de roem en de glorie. Hij is daar niet ongevoelig voor, want met macht zou hij zijn boodschap de nodige kracht bij kunnen zetten, hij zou desnoods met geweld het koninkrijk van God op aarde kunnen vestigen en afdwingen, een heilige oorlog voor de goede zaak van God…Het is een verzoeking, maar hij ervaart deze verzoeking tenslotte alsof hij zijn ziel aan de duivel verkoopt. Geen knieval voor de meerdere eer en glorie van hemzelf, van zijn eigen ego, zijn almacht en machtsfantasieën. Zijn verlangen is te dienen, God dienen met zijn hele hart, zijn hele ziel, zijn verstand en zijn krachten en niet zijn eigen grootheidswaan, zijn eigen persoon. God dienen is niet verenigbaar met macht en overheersing, geweld en zelfverheffing. Gods Koninkrijk kan niet met geweld gevestigd worden, dat kan alleen gevestigd worden in de harten van mensen. ‘Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.’

En dan is er de derde en laatste verzoeking. Hij ziet zichzelf op het hoogste punt van de tempel geplaatst. Op de tinnen van de tempel, het godshuis, ziet hij zichzelf staan. Daar zal volgens het joodse volksgeloof de Messias zich bij de eindtijd kenbaar maken aan het volk, daar zullen dan wonderen gebeuren. Jezus ziet het voor zich in een glanzend visioen, hij stralend als een god in de hoogte, verheven boven de massa, de beloofde heilbrenger van het volk. De Zoon van God, de geliefde Zoon van God, de Messias, die zal toch zeer bijzonder en onkwetsbaar zijn, hem zal geen kwaad geschieden, hem zal niets overkomen, hem zal het lijden niet raken. God is met hem, hem kan niets gebeuren. De laatste verzoeking, een narcistisch drogbeeld. Hij beseft dat het het belangrijkste is om op Gods liefde te vertrouwen, maar dat het vertrouwen in de liefde en zorg van God geen garantie geeft op een leven zonder ongeluk en leed. Als we geloven om die reden, omdat wij gevrijwaard hopen te worden van lijden en ongeluk, dan vergissen we ons. Dat heeft niets meer te maken met de overgave aan en het geloof in de liefde van God. “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.’
Later zullen die duivelse woorden weer tot hem geroepen worden: als je Gods Zoon bent, kom af van het kruis en redt jezelf en ons. Nee, de weg van de zoon van God zal niet gevrijwaard zijn van lijden, integendeel. Wel zal Jezus blijven vasthouden aan Gods liefde, wat er ook zou gebeuren, tot in de uiterste kwelling en vertwijfeling.

Zo bood Jezus al vastend de verzoekingen het hoofd, leverde hij het gevecht met zijn schaduwkanten, zijn aanvechtingen, zijn ego.

Ik denk dat er weinigen onder ons zijn die echt zullen vasten in deze vastentijd, deze veertigdagen tijd. Vasten is ook geen doel op zich, het is een middel, een middel om dichter bij onszelf en dichter bij God te komen, bij waar het in ons leven ten diepste om gaat.
Maar het is misschien wel een uitdaging om deze weken op en eigen manier te vasten of te versoberen. Om dingen te laten die je uit gewoonte of halve verslaving doet. Sommigen eten geen vlees, drinken geen alcohol, snoepen niet. Er zijn jongeren die zich voorgenomen hebben deze weken niet te sms-en, zo las ik in de krant. Je kunt dingen laten die je bij jezelf en bij God weghouden. Misschien is dat tv kijken, eindeloos internetten, gamen, chatten. Je kunt het ook positief benaderen, je kunt in de vastentijd ook dingen doen die je meer bij jezelf en God brengen. De stilte zoeken, de natuur ingaan, bidden, mediteren, naar muziek luisteren, bijbellezen, kortom: meer dan anders tijd voor je ziel, om te zien wat daar leeft.

Veertigdagentijd, vastentijd, het is de tijd om voor God ruimte te maken, om zo dichter te komen bij de geheimen die Hij schrijft in je ziel, bij de geheimen van zijn Koninkrijk.
Amen.
Comments